Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-05-2017, ECLI:NL:CBB:2017:208, 15/171

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-05-2017, ECLI:NL:CBB:2017:208, 15/171

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
4 mei 2017
Datum publicatie
28 juni 2017
ECLI
ECLI:NL:CBB:2017:208
Zaaknummer
15/171
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

bospercelen, geen tot het bedrijf behorende landbouwgrond

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 15/171

16005

uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2017 op het hoger beroep van:

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2015, met kenmerk 14/1901, in het geding tussen

appellante

en

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J. van Essen).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 7 april 2009 is de Algemene Inspectiedienst (AID) in het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) een onderzoek gestart naar het feitelijk gebruik van percelen bos door landbouwers die deze percelen hebben opgegeven als tot hun bedrijf behorende landbouwgrond. Het onderzoek richtte zich op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze percelen in gebruik waren gegeven aan landbouwers. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 november 2011 (rapportnummer [... 1] ). De AID is op 20 september 2011 een onderzoek gestart naar appellante, één van de landbouwers die percelen bos bij de Gecombineerde Opgave 2009 heeft opgegeven als bij het bedrijf in gebruik zijnde landbouwgrond. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 november 2011 (rapportnummer [... 2] ). Op basis van de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken heeft de staatssecretaris geconcludeerd, voor zover hier van belang, dat de door appellante bij de Gecombineerde Opgave 2009 opgegeven percelen bos (gewascode 863) niet tot de tot het bedrijf behorende landbouwgronden kunnen worden gerekend. Mede op grond daarvan heeft verweerder geconcludeerd dat appellante niet onder de wettelijk voorgeschreven gebruiksnormen is gebleven. Om die reden heeft de staatssecretaris bij besluit van 19 juli 2013 (het primaire besluit) aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 12.817,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009.

1.3

Bij besluit van 2 april 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. Het beroep van appellante, dat – voor zover van belang en kort gezegd – inhield dat de staatssecretaris bij de berekening van het gebruik van meststoffen ten onrechte de percelen bos, van in totaal 23 hectare, buiten beschouwing had gelaten, heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog hiertoe voor zover hier van belang (onder 9 tot en met 12. van de aangevallen uitspraak), dat uit hetgeen (één van de maten van) appellante tegenover de AID heeft verklaard en de feiten en omstandigheden van het geval terecht is geconcludeerd dat geen sprake was van gebruik in het kader van de normale bedrijfsvoering en van feitelijke beschikkingsmacht. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellante een melkveehouderij exploiteert, terwijl deze in het algemeen geen bospercelen exploiteren. Niet betwist is dat appellante de percelen niet heeft bemest en beweid noch heeft gebruikt voor teelt. Uit de door appellant met [naam 2] gesloten grondgebruiksovereenkomst blijkt niet dat appellante de feitelijke beschikkingsmacht had over de teelt en de bemesting van de percelen. Het onderhoud was uitbesteed aan derden en zij heeft op de gemaakte afspraken met betrekking tot het onderhoud feitelijk geen invloed gehad. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Niet gebleken is van een mondelinge of schriftelijke mededeling waaraan appellante het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen met betrekking tot het meerekenen van de percelen productiebos. De rechtbank heeft naar aanleiding van een beroep van appellante op overschrijding van de redelijke termijn de boete gematigd met 10% en de boete vastgesteld op € 11.535,30.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing