Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-06-2017, ECLI:NL:CBB:2017:264, 16/309

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-06-2017, ECLI:NL:CBB:2017:264, 16/309

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16 juni 2017
Datum publicatie
8 augustus 2017
ECLI
ECLI:NL:CBB:2017:264
Zaaknummer
16/309
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

overtreding art. 7 Meststoffenwet, juiste gegevens

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 16/309

16005

(gemachtigde: J.H. Elzinga),

tegen de uitspraak van de rechtbank van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2016, kenmerk LEE 15/3901, in het geding tussen

appellant

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2016 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Appellant is in 2013 gecontroleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw). Blijkens het rapport van de NVWA (rapportnr. 72596) van 1 maart 2013 was de aanleiding een strafrechtelijk onderzoek naar het fictief afleveren van mest (in opdracht van [naam 2] ) op naam van diverse particulieren, zonder relatienummer. Met toestemming van de officier van justitie zijn de gegevens uit dat onderzoek gebruikt voor bestuursrechtelijke handhaving. Een van degenen bij wie mest is afgeleverd was appellant. Zowel voor 2011 als voor 2012 is in het kader van de bestuursrechtelijke controle op naleving van de Msw onder meer onderzocht hoeveel mest is geproduceerd op het bedrijf van appellant, hoeveel mest is afgevoerd en hoeveel is opgeslagen. De staatssecretaris heeft bij schrijven van 28 juni 2013 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt een bestuurlijke boete op te leggen wegens het overtreden van de Msw in het jaar 2011. Appellant heeft naar aanleiding van het voornemen in een zienswijzegesprek verklaard dat hij in april 2011 zes vrachten kalvergier (220 ton) op zijn bedrijf heeft aangevoerd, dat deze vrachten in 2011 op het bedrijf van appellant zijn opgeslagen en dat zij (niet in 2011 maar) in 2012 zijn aangewend op de percelen van appellant. Bij brief van 18 februari 2014 heeft de staatssecretaris aan appellant zijn beslissing medegedeeld ervan af te zien hem een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van de Msw in het jaar 2011, en voorts de eindvoorraad kalvergier 2011 te waarderen tegen de gemiddelde gehalten fosfaat en stikstof die zat in de aangevoerde zes vrachten, in plaats van (zoals appellant in zijn zienswijze had gedaan) de eindvoorraad rundveedrijfmest 2011 te verhogen met 220 ton, gewaardeerd tegen forfaitaire waarden. Bij brief van 24 april 2014 heeft de staatssecretaris appellant meegedeeld dat hij voornemens is hem voor het overtreden van de Msw in het jaar 2012 bestuurlijke boetes op te leggen van in totaal € 15.213,50. Bij besluit van 8 juli 2014 heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van de zienswijzen van appellant, vervolgens een bestuurlijke boete opgelegd van € 9.066,- wegens overtreding van de gebruiksnormen in het jaar 2012, en een bestuurlijke boete van € 300,- wegens het niet naar waarheid aanleveren van gegevens.

1.2

Bij besluit van 31 augustus 2015 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

“ 2.1 De rechtbank stelt vast dat partijen niet van mening verschillen dat zes vrachten

(220 ton) kalvergier is gelost op het bedrijf van eiser. Het geschil spitst zich toe op de vraag

of de aangeleverde kalvergier in april 2011 al dan niet is meegenomen in de eindvoorraad

2011. (...)

2.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht en op juiste gronden

voor het controlejaar 2011 de eindvoorraad vastgesteld op 820 ton zoals neergelegd in de onder 1.4 genoemde brief van 18 februari 2014. Deze eindvoorraad is tot stand gekomen op basis van hetgeen eiser heeft aangegeven in de zienswijze naar aanleiding van het voornemen om voor het jaar 2011 een boete op te leggen. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verweerder ter zitting heeft aangegeven, met het oog op het strafrechtelijk onderzoek, onder de naam “Osagedoorn” van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (de NVWA), dat verweerder ten tijde van het zienswijzegesprek aan eiser nadrukkelijk heeft gevraagd wanneer de kalvergier is uitgereden. Daarop heeft eisers nogmaals verklaard dat de aangevoerde kalvergier niet is aangewend in 2011 maar in 2012. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het opmerkelijk is dat eiser in de bezwaarfase met betrekking tot het jaar 2012 heeft aangegeven dat de in april 2011 aangevoerde kalvergier niet in opslag is gegaan eind 2011 maar zou zijn aangewend in 2011.

2.5

De rechtbank volgt verweerder voorts in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat

de eindvoorraad rundveedrijfmest, zonder de zes vrachten kalvergier, [in 2011, College] een omvang zou hebben van 820 ton. In dit verband heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser op de AGL 2011 een voorraad rundveedrijfmest (mestcode 14) van 600 ton heeft doorgegeven, terwijl eiser tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat eiser door middel van meting met een centimeterstok de voorraad rundveedrijfmest op 820 ton heeft vastgesteld.

2.6

Gelet op de in 2.4 en 2.5 genoemde tegenstrijdige verklaringen van eiser ziet de

rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een eindvoorraad zoals neergelegd in de onder 1.4 genoemde brief van 18 februari 2014. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zijn stelling dat de eindvoorraad 2011 weliswaar 820 ton is, maar dat daarbij niet de 220 ton kalvergiermest van [naam 2] zit maar 220 ton extra mest van eigen dieren, niet met objectieve bescheiden heeft onderbouwd. Het betoog van eiser dat er sprake is van een misverstand treft geen doel.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep