Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-07-2017, ECLI:NL:CBB:2017:267, 16/203

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-07-2017, ECLI:NL:CBB:2017:267, 16/203

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11 juli 2017
Datum publicatie
8 augustus 2017
ECLI
ECLI:NL:CBB:2017:267
Zaaknummer
16/203

Inhoudsindicatie

Heffing van toezichtkosten. Wbft. Rbft 2014. Toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Geen sprake van een grensoverschrijdende situatie waardoor appellante geen beroep toekomt op het Europeesrechtelijke non-discriminatiebeginsel. DNB heeft terecht heffingskosten in rekening gebracht voor de periode dat appellante over een vergunning als betaaldienstverlener beschikte. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 16/203

22310

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2016, kenmerk ROT 15/1094, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 11 februari 2016 (niet gepubliceerd).

DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Namens appellante zijn verschenen haar bestuurder [naam 1] , vergezeld door [naam 2] . DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door E.H.E. Kremers en M.D. Kuiper.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Aan appellante is bij besluit van 22 mei 2012 een vergunning verleend voor de uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft DNB de vergunning van appellante op grond van artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wft op verzoek van appellante ingetrokken met ingang van 1 oktober 2014.

1.2

Bij besluit van 31 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft DNB onder verwijzing naar de artikelen 11 en 13 van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft), het Besluit bekostiging financieel toezicht 2013 en de Regeling bekostiging financieel toezicht 2014 (Rbft), aan appellante een bedrag van € 19.500,- aan reguliere toezichtkosten over het jaar 2014 in rekening gebracht.

1.3

Bij besluit van 15 januari 2015 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft DNB het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en de periode waarover toezichtkosten in rekening worden gebracht herzien en vastgesteld op de periode dat appellante in 2014 in het bezit is geweest van bovengenoemde vergunning, ten gevolge waarvan voormeld bedrag is verlaagd naar € 14.625,-.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

De beroepsgronden van appellante bieden naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de in de Rbft 2014 voor betaaldienstverleners vastgestelde bandbreedtes en tarieven onverbindend moeten worden geacht of in dit geval buiten toepassing moeten worden gelaten.

2.3

De rechtbank is verder van oordeel dat voor het in rekening brengen van toezichtkosten niet vereist is dat vergunningsactiviteiten worden verricht. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbft en bijlage II bij deze wet volgt dat reeds het bezit van een vergunning als bedoeld in artikel 2:3a, eerste lid, van de Wft grondslag biedt om toezichtkosten in rekening te brengen. Voorts bestaat volgens de rechtbank geen grond voor het oordeel dat appellante erop mocht vertrouwen dat zij per 1 juli 2014 niet langer beschikte over deze vergunning. Dat Icepay B.V., de betaaldienstverlener waaraan appellante op 1 juli 2014 al haar aandelen heeft verkocht, de vergunning zou inleveren per 1 juli 2014 is onvoldoende om dit vertrouwen te rechtvaardigen. Van een intrekking van de vergunning op dat moment of van een daartoe strekkende toezegging van de zijde van DNB was immers geen sprake. Indien appellante meent dat de intrekking (met terugwerkende kracht) per 1 juli 2014 had moeten plaatsvinden, had zij rechtsmiddelen moeten aanwenden tegen het intrekkingsbesluit van 3 oktober 2014, waarbij zij dit punt ten volle aan de orde had kunnen stellen. Dat appellante dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.

2.4

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bestuursorgaan handelt overeenkomstig zijn beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In dit geval is toepassing van beleidsregels niet aan de orde. De wet- en regelgeving inzake het in rekening brengen van toezichtkosten laat DNB geen ruimte om met betrekking tot de daarbij aan haar toegekende bevoegdheden op grond van artikel 4:81 van de Awb beleidsregels vast te stellen. Het betoog van appellante dat DNB wegens ontoereikende draagkracht van appellante en het feit dat appellante niet meer actief is als betaaldienstverlener met toepassing van artikel 4.84 van de Awb de in rekening te brengen toezichtkosten op nihil had moeten stellen, faalt derhalve, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing