College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-02-2017, ECLI:NL:CBB:2017:34, 15/355
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-02-2017, ECLI:NL:CBB:2017:34, 15/355
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 3 februari 2017
- Datum publicatie
- 13 februari 2017
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2017:34
- Zaaknummer
- 15/355
Inhoudsindicatie
Overtreding Msw, begrip landbouwgrond, industrieterrein
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/355
16005
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2016 op het hoger beroep van:
De maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ( Melkveebedrijf [naam 4] ), te [plaats] , appellante, (gemachtigde: mr. R. Scholten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015, met kenmerk LEE 14/4501, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. M. Leegsma en mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2016, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak van appellante geregistreerd onder zaaknummer AWB 14/516. De inzet van die zaak betreft de ten aanzien van appellante opgelegde korting op de bedrijfstoeslag voor 2011. Voor het doen van uitspraak zijn de zaken weer gesplitst.
Voor appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante is een bedrijf dat zich bezig houdt met het fokken en houden van melkvee, gevestigd te [plaats] . Naar aanleiding van een tweetal onderzoeken door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 14 december 2012, rapportnummer 71311, en een afdoeningsrapport van 18 december 2012, rapportnummer 68368, heeft de staatssecretaris bij besluit van 26 februari 2014 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 8.578,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2011. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellante in 2011 de gebruiksnormen heeft overschreden. De bestuurlijke boete is gebaseerd op een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 1056 kg en een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 339 kg. Een door appellante bij de Gecombineerde Opgave van 2011 opgegeven perceel, gelegen bij Borgsweer (4 ha), is bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend. De staatssecretaris heeft hiertoe aangevoerd dat het perceel bij Borgsweer niet is ingericht als landbouwgrond, en dat appellante ten aanzien daarvan geen exclusieve zeggenschap of gebruik heeft.
Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
Het beroep tegen het besluit van is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat dat het hier niet gaat om landbouwgrond in de zin
van de Msw. Het feit dat het perceel de bestemming “industrie” heeft is niet doorslaggevend maar is wel een indicatie van hoe de gronden geduid dienen te worden. Met betrekking tot het feitelijke gebruik overweegt de rechtbank dat verweerder erop heeft gewezen dat de grond ter plaatse bestaat uit wit/gele zandgrond met weinig humus waarop een vegetatie stond bestaande uit riet, zegge, diverse soorten natuurlijke grassen, bloemen en kruiden, en dat er geen sporen waren van beweiding en bemesting. Dit wordt door de zich in het dossier bevindende foto’s bevestigd. Bij de beoordeling betrekt de rechtbank verder dat Groningen
Seaports, de eigenaar van het perceel en het geheel aan percelen waartoe het behoort, in een verklaring van 5juli 2011 heeft aangegeven dat het percelen betreft waarop anderhalf á twee meter geel zand is opgebracht en dat de percelen dienen als voorraad voor nieuwbouw van/voor bedrijven. Het gestelde feit dat in de praktijk het perceel is gemaaid en dat dit maaisel bij eiseres is afgeleverd maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat wel sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin. Hiertoe overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de Msw onder grasland wordt verstaan landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer. Van teelt in de hier bedoelde zin is geen sprake. Het oogmerk van de handelingen op het perceel was niet de winning van ruwvoer, maar onderhoud.
10. Nu geen sprake is van landbouwgrond kan het perceel reeds om die reden niet worden
aangemerkt als “tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond”, zodat de vraag of
eiseres de feitelijke beschikkingsmacht over het perceel had (zodat het bij het bedrijf van
eiseres in gebruik is), geen bespreking behoeft. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om het boetebesluit onrechtmatig te
achten. Het beroep is derhalve ongegrond.”