College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-12-2017, ECLI:NL:CBB:2017:399, 15/813
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-12-2017, ECLI:NL:CBB:2017:399, 15/813
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 december 2017
- Datum publicatie
- 15 december 2017
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2017:399
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:5951, Overig
- Zaaknummer
- 15/813
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet. Boetes voor overschrijdingen gebruiksnormen. Niet bedrijfsmatig maar hobbymatig houden van paarden. Minister niet bevoegd tot opleggen boete.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/813
16500
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2017 op het hoger beroep van: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister)
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2015, kenmerk 15/2011, in het geding tussen
en
de minister.
Procesverloop in hoger beroep
De staatssecretaris van Economische Zaken (College: thans de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5951, verder: de aangevallen uitspraak).
[naam] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017, waar [naam] is verschenen en de minister zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit heeft in 2013 een controle uitgevoerd naar de naleving van de Meststoffenwet (Msw) door [naam] . Uit dat onderzoek is gebleken dat in dat jaar varkensmest (mestcode 046) op de huiskavel van [naam] is uitgereden. Deze mest was afkomstig van een in de nabijheid gevestigde varkensboer. [naam] heeft toestemming gegeven voor het uitrijden van de mest op zijn kavel, maar heeft hiervoor geen betaling ontvangen. Op basis van het boeterapport van 16 juli 2014 heeft de minister bij besluit van 26 september 2014 aan [naam] bestuurlijke boetes opgelegd van in totaal
€ 4.646,50 wegens het overtreden van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw in het jaar 2013. Bij de hoogte van de boetes is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 410 kg stikstof en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 323 kg fosfaat. Bij zijn berekeningen is de minister uitgegaan van een perceeloppervlak van 4,90 hectare.
Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd. [naam] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [naam] gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft, het bestreden besluit vernietigd wegens strijdigheid met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb en de door [naam] verschuldigde boetes vastgesteld op in totaal € 2.323,25. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (waarbij onder “eiser” wordt verstaan: [naam] , en onder “verweerder”: de minister):
“3. Eiser betwist niet dat in 2013 de gebruiksnormen dierlijke meststoffen en fosfaat zijn overschreden met respectievelijk 410 en 323 kg. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de boete zou moeten worden verlaagd. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij geen agrarisch ondernemer is en dus geen bedrijf met een winstoogmerk voert, maar dat hij een particulier is die hobbymatig paarden houdt. Eiser heeft op verzoek van een varkenshouder in het kader van goed nabuurschap varkens-, waaronder zeugenmest (met een hoog fosfaatgehalte) op zijn land gebracht via een loonwerker, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Eiser had geen kennis met betrekking tot de Msw, zodat hij op de kennis en goede trouw van de leverancier en de loonwerker is afgegaan.
4. (...) De rechtbank stelt voorop dat ook het hobbymatig houden van paarden is aan te merken als “veehouderij” en dus als landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Msw. Het begrip “bedrijf” moet ruim worden uitgelegd, nu in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel i van de Msw is bepaald dat onder “bedrijf” wordt verstaan, het geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden. Eiser heeft grasland en houdt paarden die mest produceren. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze activiteit worden gezien als enige vorm van landbouw. Uit de definitie volgt niet dat winstoogmerk een vereiste is om als bedrijf te worden aangemerkt. (...)
Uit het voorgaande volgt dat verweerder, nu vaststaat dat de gebruiksnormen zijn overschreden, op grond van artikel 51 van de Msw bevoegd was aan eiser een boete op te leggen.
(...)
6. Eiser heeft in het kader van zijn beroep tot matiging van de boete verder betoogd dat hij geen economisch voordeel heeft gehad van het op het land (doen) brengen van de mest. Eiser heeft in 2013 twee vrachten mest ontvangen, afkomstig van een buurman (varkenshouder), die door een loonwerker in het kader van goed nabuurschap op het grasland is gebracht.
Hoewel het niet hebben van economisch voordeel op zichzelf geen grond is tot matiging van de boete (...) ziet de rechtbank in die omstandigheid, bezien in samenhang met de overige omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan, aanleiding de opgelegde boete te matigen.
Daartoe wordt overwogen dat verweerder niet betwist dat eiser geen vergoeding heeft gekregen voor het afnemen van de mest en dat de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat het enige economisch voordeel dat zou kunnen zijn genoten, zou kunnen bestaan uit een hogere grasopbrengst van het land.
(...)
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser voor de eerste keer de bepalingen van de Msw heeft overtreden en bij de controle alle medewerking heeft verleend, zodat verweerder op eenvoudige wijze de overtreding heeft kunnen vaststellen. Eiser heeft ook nimmer de overschrijdingen van de normen betwist.
Voorts heeft eiser van meet af aan aangegeven en ook nog eens ter zitting verklaard dat hij bereid is de overschrijding te compenseren door in de komende jaren in het geheel geen mest op het grasland te (doen) brengen.
Tegen de achtergrond van het gegeven dat eiser alleen paarden houdt voor zijn hobby, en de meeste paardenmest wordt afgevoerd, hetgeen verweerder niet heeft bestreden, maken de genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank dat de opgelegde boetes van in totaal € 4.646,50 niet in verhouding staan tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. De rechtbank acht een matiging van 50 % van de boete passend en geboden. (...)".