College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-12-2017, ECLI:NL:CBB:2017:400, 16/799
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-12-2017, ECLI:NL:CBB:2017:400, 16/799
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 december 2017
- Datum publicatie
- 15 december 2017
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2017:400
- Zaaknummer
- 16/799
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet. Boete voor het niet naar waarheid opgeven van gegevens.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 16/799
16005
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2017 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. R. Scholten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 augustus 2016, LEE 16/1028, in het geding tussen
appellante
(gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord- Nederland van 2 augustus 2016 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris van Economische Zaken (College: thans de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017.
Voor appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Tevens was voor appellante aanwezig [naam 4] . De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft in het kader van het toezicht op de naleving van de derogatievoorwaarden in 2014 een controle op het bedrijf van appellante uitgevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de NVWA van 22 december 2014 (nummer 82712). Daaruit blijkt dat appellante bij de Gecombineerde Opgave 2014 onder meer dijkpercelen heeft opgegeven waarvoor zij pachtovereenkomsten heeft afgesloten met het Wetterskip Fryslân. De controleurs van de NVWA constateren in hun rapport dat de opgegeven percelen met volgnummers 12 tot en met
21, 23, 24, 26, 27 en 59 niet als tot het bedrijf behorende landbouwgronden in de zin van de Meststoffenwet (Msw) kunnen worden aangemerkt. De minister heeft op basis van deze bevindingen voor het niet naar waarheid aanleveren van informatie over gewaspercelen bij besluit van 20 februari 2015 een bestuurlijke boete aan appellante opgelegd van € 300,-.
Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante dat – kort gezegd – inhield dat zij de Gecombineerde Opgave 2014 wel naar waarheid heeft ingevuld, ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog hiertoe voor zover hier van belang (onder 4.2.1 tot en met 4.2.4 van de aangevallen uitspraak) dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante, ondanks het feit dat zij beschikte over pachtovereenkomsten, niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen. De rechtbank acht daartoe van belang dat algemene voorwaarde A3 van de pachtovereenkomsten voor het jaar 2014 als volgt luidt:
“De verpachter is gerechtigd alle nodig geachte werkzaamheden aan het verpachte te laten verrichten. Bemesting, het maaien en de bestrijding van onkruid (w.o. brandnetels en distels) zal door of vanwege de verpachter geschieden. Zodebemesting, mest en kunstmest injecteren door/voor of vanwege de pachter is niet toegestaan. (...)”.
Voorts acht de rechtbank van belang dat uit antwoorden van [naam 5] , werkzaam als grondverwerver bij Wetterskip Fryslân, op vragen van de NVWA blijkt dat de dagelijkse praktijk niet anders is dan kan worden afgeleid uit de tekst van de algemene voorwaarde
A3 uit de pachtovereenkomsten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht een boete opgelegd van € 300,- omdat zij de percelen 12 tot en met 21, 23, 24, 26, 27 en
59 niet naar waarheid heeft opgegeven als tot het bedrijf behorende landbouwgrond in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van de Meststoffenwet.