Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-10-2017, ECLI:NL:CBB:2017:442, 15/354

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-10-2017, ECLI:NL:CBB:2017:442, 15/354

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16 oktober 2017
Datum publicatie
8 februari 2018
ECLI
ECLI:NL:CBB:2017:442
Zaaknummer
15/354

Inhoudsindicatie

MSW, feitelijke beschikkingsmach, GLB heffing wegens overtreding MSW

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 15/354

16005

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015, met kenmerk LEE 14/4512 en LEE 14/4645, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. M. Leegsma en A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Appellant is melkveehouder, gevestigd te [plaats 1] . Naar aanleiding van onderzoeken

door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 14 december 2012, rapportnummer 71311, en een tweetal afdoeningsrapporten van 18 december 2012, rapportnummers 68600 en 68629, heeft de staatssecretaris bij besluiten van 28 februari 2014 aan appellant twee bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in de jaren 2010 en 2011. Zowel voor de overtreding in het jaar 2010 als voor de overtreding in het jaar 2011 is een boete van € 45.000,- opgelegd. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellant in 2010 en 2011 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. Voor het jaar 2010 is in totaal 19,71 ha van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend. Voor het jaar 2011 is in totaal 17,26 ha van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen buiten beschouwing gelaten voor de gebruiksruimte. De staatssecretaris heeft hiertoe aangevoerd dat appellant ten aanzien van deze percelen, gelegen te [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] , niet de feitelijke beschikkingsmacht had. Eén perceel, gelegen te [plaats 6] , opgegeven voor het jaar 2011, is niet meegerekend als gebruiksruimte omdat het geen landbouwgrond betreft in de zin van de Msw,- opgelegd. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellant in 2010 en 2011 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. Voor het jaar 2010 is in totaal 19,71 ha van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend. Voor het jaar 2011 is in totaal 17,26 ha van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen buiten beschouwing gelaten voor de gebruiksruimte. De staatssecretaris heeft hiertoe aangevoerd dat appellant ten aanzien van deze percelen, gelegen te [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] , niet de feitelijke beschikkingsmacht had. Eén perceel, gelegen te [plaats 6] , opgegeven voor het jaar 2011, is niet meegerekend als gebruiksruimte omdat het geen landbouwgrond betreft in de zin van de .

1.3

Bij besluiten van 1 september en 12 september 2014 heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 1 en 12 september 2014 ongegrond verklaard.

“ 15.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt

gesteld dat eiser in 2010 en 2011 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen

in [plaats 2] . De rechtbank stelt allereerst vast dat de grondgebruiksovereenkomst tussen

eiser en de eigenaar van de gronden in [plaats 2] , [naam 2] , een algemene

grondgebruiksovereenkomst betreft, en dat uit deze overeenkomst niet blijkt dat eiser hierbij

heeft bedongen dat hij zou beslissen over het beheer van de gronden. [naam 2] heeft in zijn

verklaring van 4 april 2012 - onder meer - verklaard dat de boeren aan wie hij grond in

gebruik heeft gegeven, waaronder eiser, niet bij de percelen zijn geweest, dat zij de percelen

niet hebben bemest en dat zij op de percelen geen dieren hebben geweid. Daarnaast heeft

[naam 2] aangegeven dat hij op de betreffende percelen in 2010 pinken heeft laten weiden

en dat hij zijn loonbedrijf, (...), opdracht gaf voor het uitvoeren van de

werkzaamheden op de percelen van de andere boeren. Tenslotte heeft [naam 2] verklaard

dat de boeren mochten komen om de percelen grasland te bemesten en te maaien, maar dat

de boeren de keuze hebben gemaakt om dat niet te doen, en dat de boeren het gras ook

hadden mogen ophalen, maar dat hier dan wel een vergoeding tegenover had gestaan. In zijn

verklaring van 22 januari 2014 geeft [naam 2] aan dat hij gedurende de looptijd van de

overeenkomst onder geen omstandigheid dieren heeft geweid op de verhuurde percelen,

maar dat hij de gronden heeft gebruikt als ‘oversteek’ om zijn vee naar percelen te

verplaatsen die buiten de overeenkomst vallen. De rechtbank kent meer gewicht toe aan de

verklaring van 4 april 2012 van [naam 2] . Hierbij betrekt de rechtbank dat uit deze

verklaring blijkt dat [naam 2] de regie voerde over de werkzaamheden op de betreffende

percelen en dat hij bepaalde op welk moment deze werkzaamheden uitgevoerd werden.

Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat eiser, blijkens zijn verklaring van

9 mei 2012, zelf geen activiteiten op de percelen te [plaats 2] heeft verricht. In deze

verklaring heeft eiser daarnaast aangegeven dat hij in 2010 en 2011 van de percelen te

[plaats 2] geen gras heeft gehad, dat hij niet op de percelen is geweest, dat hij geen mest

heeft afgevoerd naar die percelen en dat er geen dieren zijn geweid. De enkele stelling van

eiser dat hij feitelijke beschikkingsmacht had kunnen uitoefenen indien hij dat had gewild,

is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op al het hiervoor overwogene, onvoldoende om

te kunnen zeggen dat eiser feitelijke beschikkingsmacht had.

16. Met betrekking tot de percelen te [plaats 3] overweegt de rechtbank als volgt.

(...)

16.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt

gesteld dat eiser in 2010 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen te

[plaats 3] . Er is weliswaar een grondgebruiksovereenkomst tussen eiser en de eigenaar

van de gronden, [naam 3] , echter blijkt hieruit onvoldoende dat eiser heeft

bedongen dat hij het beheer had over de betreffende gronden. Dit wordt ondersteund door de

verklaring van eiser van 9 mei 2012, waarin eiser aangeeft dat hij in 2010 niet op de

percelen bij [plaats 3] is geweest, dat hij geen mest heeft afgevoerd naar deze percelen,

dat hij hier geen dieren heeft geweid en dat alle werkzaamheden zijn uitgevoerd door [naam 3] . Ten aanzien van het standpunt van eiser dat hij in de herfst van 2010 in totaal

25 hooipakken, zijnde de oogst van het hele seizoen 2010, met de trekker en wagen heeft

opgehaald bij [naam 3] overweegt de rechtbank dat dit niet aannemelijk is, nu eiser

geen enkel bewijs heeft overgelegd van betaling.

17. Met betrekking tot de percelen te [plaats 4] en [plaats 5] overweegt de

rechtbank als volgt.

(...)

17.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt

gesteld dat eiser in 2010 en 2011 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen

te [plaats 4] en [plaats 5] . Namens FBB is op 7 juni 2012 door [naam 4] en [naam 5]

verklaard dat FBB de eigenaar is van de percelen grasland rondom de jachthaven in

[plaats 5] en dat op de percelen een recreatiepark met een jachthaven, restaurant en

hotel gerealiseerd zullen worden, maar dat de percelen nut nog een agrarische bestemming

hebben. [naam 4] geeft verder aan dat [naam 6] elk jaar € 2.000,- betaalt voor het grasgewas

van de 7,5 hectare grond, dat er geen schriftelijke overeenkomst met [naam 6] is over het

gebruik van de grond, dat [naam 6] , zolang de bestemming van de percelen nog niet is

gewijzigd, tegen een vergoeding het grasgewas mag hebben en dat FBB de sloten laat

schoonmaken. [naam 5] geeft aan dat hij beheerder is van de jachthaven en de verhuur van de

vakantiewoningen, dat hij iedere dag op het terrein aanwezig is en dat hij alles ziet wat er op

de percelen grasland gebeurt. Hierbij geeft [naam 5] aan dat [naam 6] al zeker vijf jaar de

percelen gebruikt, dat [naam 6] er geen snede gras afhaalt, dat [naam 6] zo nu en dan schapen

weidt op de percelen en dat het gras dat de schapen niet opeten door [naam 6] wordt gemaaid

met een bosmaaier. Tenslotte geeft [naam 5] aan dat hij nog nooit heeft gezien dat er op de

percelen dierlijke mest werd uitgereden of dat er kunstmest werd gestrooid. Eiser heeft op

9 mei 2012 verklaard dat hij niet op de percelen in [plaats 5] is geweest, dat hij hier

geen mest naartoe heeft gebracht, dat hij er geen dieren op heeft laten weiden en dat hij geen

gras heeft gehad van deze percelen. Hierbij heeft eiser aangegeven dat [naam 6] zorgde voor

de winning van het gras, maar dat hij niet weet wat er met het gras is gebeurd. De door

[naam 6] gemaakte kosten voor de werkzaamheden zijn, aldus eiser, verrekend met het

grasgewas dat [naam 6] mocht houden. Gelet op al deze verklaringen, maar met name gelet

op het feit dat eiser, zoals hij ter zitting ook heeft verklaard, zelf geen activiteiten heeft

verricht op de percelen, dat [naam 6] op de percelen schapen liet grazen, dat [naam 6] zelf

besliste over het al dan niet maaien van het gras en dat FBB het onderhoud van de sloten

voor zijn rekening heeft genomen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank

voldoende aanwijzingen kunnen zien voor het standpunt dat eiser in 2010 en 2011 over de

betreffende percelen in [plaats 4] en [plaats 5] niet de feitelijke beschikkingsmacht had.

18. Met betrekking tot de percelen te [plaats 6] overweegt de rechtbank als volgt.

(...)

18.3

Met betrekking tot de percelen te [plaats 6] is de rechtbank van oordeel dat

verweerder voldoende heeft aangetoond dat het hier niet gaat om landbouwgrond in de zin

van de Msw. Het feit dat het perceel de bestemming “Industrie” heeft is naar het oordeel van de rechtbank een indicatie hoe de gronden geduid dienen te worden. Hierbij geeft de

rechtbank aan dat uit het feitelijke gebruik moet blijken of al dan niet sprake is van

landbouwgrond. Met betrekking tot het feitelijke gebruik overweegt de rechtbank dat

verweerder erop heeft gewezen dat de gronden ter plaatse bestaat uit wit/gele zandgrond met

weinig humus waarop een vegetatie stond bestaande uit riet, zegge, diverse soorten

natuurlijke grassen, bloemen en kruiden, en dat er geen sporen waren van beweiding en

bemesting. Bij zijn beoordeling betrekt de rechtbank dat Groningen Seaports, de eigenaar

van de gronden, in de verklaring van 5 juli 2011 heeft aangegeven dat het percelen betreft

waarop anderhalf á twee meter geel zand is opgebracht, dat de percelen dienen als voorraad

voor nieuwbouw van/voor bedrijven en dat de bestemming van de percelen industrieterrein

is en geen landbouwgrond, het feit dat in de praktijk de percelen in [plaats 6] zijn gemaaid

en dat dit maaisel bij eiser is afgeleverd maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat

wel sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin. Hiertoe overweegt de rechtbank

dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de Msw onder grasland wordt verstaan

landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als

veevoer, en dat het oogmerk met betrekking tot de percelen te [plaats 6] niet de winning

van ruwvoer betrof, maar het onderhoud van de betreffende gronden.

19. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat

verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de percelen te [plaats 2] , [plaats 3]

, [plaats 4] , [plaats 5] en [plaats 6] in zowel 2010 als in 2011 niet konden

worden aangemerkt als ‘tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond’. Eiser had

immers niet de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden, dan wel de gronden konden

niet worden aangemerkt als landbouwgrond. Verweerder heeft deze percelen dan ook

terecht niet meegeteld bij de berekening van de in de Msw genoemde gebruiksnormen.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing