Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-03-2017, ECLI:NL:CBB:2017:96, 16/520

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-03-2017, ECLI:NL:CBB:2017:96, 16/520

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17 maart 2017
Datum publicatie
29 maart 2017
ECLI
ECLI:NL:CBB:2017:96
Zaaknummer
16/520
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025], Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025] art. 6:13

Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens overschrijding gebruiksnormen Meststoffenwet. De boete is opgelegd aan één van de vennoten van een vof. Deze vennoot heeft bezwaar gemaakt, maar geen beroep ingesteld. De vof heeft beroep ingesteld, maar geen bezwaar gemaakt. Bevestiging van de uitspraak van de rechtbank dat artikel 6:13 Awb aan de ontvankelijkheid van het beroep van de vof in de weg staat.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 16/520

16000

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 april 2016 in het geding tussen

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) van 14 april 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:2536).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Appellante heeft nadere aanvullende gronden ingediend.

De staatssecretaris heeft een reactie op de nadere aanvullende gronden toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij besluit van 6 maart 2015 (primair besluit) heeft de staatssecretaris aan [naam] , één van de vennoten van appellante, een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.603,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet in 2013.

1.3

Bij zijn besluit van 2 oktober 2015, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Noch in het pro-forma bezwaarschrift noch in de aanvulling van de gronden die [naam] heeft ingediend, wordt vermeld dat dit mede namens appellante - de vof - is gedaan. Ook blijkt nergens uit het bestreden besluit dat de staatssecretaris heeft aangenomen dat (mede) namens appellante bezwaar is gemaakt. Dat appellante in de ingebrekestelling wel genoemd is, maakt dit niet anders. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft ingesteld, is niet gebleken. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon appellante dus geen beroep instellen. Ook het betoog van appellante dat zij mede namens haar vennoot [naam] beroep heeft ingesteld, kan niet slagen. Hoewel een vof geen rechtspersoon is, mag zij wel op eigen naam een procedure starten. Uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift blijkt dat het beroep alleen namens de vof is ingesteld.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing