College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:141, 16/697
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:141, 16/697
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 8 mei 2018
- Datum publicatie
- 8 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2018:141
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4738, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 16/697
Inhoudsindicatie
Hoger beroep gegrond. Mededingingsrecht. ACM heeft een bouwonderneming beboet wegens overtreding van artikel 6 van de Mw bestaande uit afstemming van inschrijfcijfers en uitwisseling van informatie over voorgenomen inschrijfgedrag voorafgaande aan de inschrijving op een elftal aanbestedingen. Het College acht de door ACM vastgestelde boete van € 3.000.000,-, die de rechtbank had gematigd tot € 2.500.000,-, onevenredig hoog. Het College stelt de boete vast op € 463.000,-.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 16/697
9500
1. [naam 3] B.V.te [plaats 1] ,
2. [naam 4] B.V.te [plaats 2] ,
3. [naam 5] B.V.te [plaats 2] ,(appellanten)
(gemachtigde: mr. R. Wesseling),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2016, kenmerk ROT 15/5275, in het geding tussen
(gemachtigden: mr. A.S.M.L. Prompers en L.M. Brokx JD, LL.M).
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 23 juni 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:4738).
ACM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 7 december 2017 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. Appellanten hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellanten zijn tevens verschenen [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
ACM heeft op 9 december 2008 een onderzoek ingesteld naar een mogelijke overtreding van artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) door ondernemingen die actief zijn op het gebied van grond-, weg- en waterbouw in Zuid-Limburg. Op basis van de resultaten van haar onderzoek heeft ACM zich op het standpunt gesteld dat appellant sub 1 en [naam 6] in de periode maart 2008 tot en met december 2008 in elk geval inschrijfcijfers hebben afgestemd en informatie hebben uitgewisseld over hun voorgenomen inschrijfgedrag voorafgaande aan de inschrijving op een elftal aanbestedingen (welk gedrag wordt aangeduid als “cover pricing” of “prijslenen”). Hiermee hebben zij volgens ACM het kartelverbod van artikel 6 van de Mw overtreden. ACM heeft de overtreding van appellant sub 1 toegerekend aan appellanten sub 2 en 3 en heeft appellanten bij besluit van 29 oktober 2010 (het primaire besluit) een boete opgelegd van € 3.000.000,-. ACM heeft daarbij toepassing gegeven aan randnummer 35 van de NMa Boetecode 2007 (Stcrt. 2007, nr.123, nadien gewijzigd en gepubliceerd in Stcrt. 2007, nr. 196; hierna: Boetecode), dat als volgt luidt:
“Aanpassing wegens preventieve werking
35. Uit het oogpunt van de gewenste preventieve werking kan de basisboete worden aangepast in verband met het gewicht van de overtreder, uitgedrukt in de totale jaaromzet van deze overtreder in Nederland in het boekjaar voorafgaande aan de boetebeschikking. Dit kan leiden tot een verveelvoudiging van de basisboete.”
Bij besluit van 8 maart 2012 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft ACM de bezwaren van appellanten - onder aanvulling van de motivering - ongegrond verklaard en de opgelegde boete gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellanten gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de (hoogte van de) boete, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en, zelf in de zaak voorziend, de boete vastgesteld op een bedrag van € 2.500.000,-. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Voor de overwegingen van de rechtbank verwijst het College naar de aangevallen uitspraak.