Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:239, 17/993

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:239, 17/993

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
1 mei 2018
Datum publicatie
4 juni 2018
ECLI
ECLI:NL:CBB:2018:239
Zaaknummer
17/993

Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 7 Msw, landbouwgrond, aanmelding derogatie, rechtbank onbevoegd

Meststoffenwet. itvoeringsregeling Meststoffenwet

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 17/993

16000

tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2017, kenmerken

LEE 15/4621 en 16/1178, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank

Noord-Nederland (rechtbank) van 11 mei 2017 met kenmerken LEE 15/4621 en LEE 16/1178.

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak van appellante geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/168, waarin het beroep van appellante tegen de toegepaste korting op subsidies die zijn verleend op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2016 (Regeling GLB) wegens het niet naleven van de Meststoffenwet (de randvoorwaardenkorting) voorligt. De zaak is vervolgens voor het doen van uitspraak weer gesplitst.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellante exploiteert een melkveehouderij. In de jaren 2012 en 2014 heeft appellante zich aangemeld voor de derogatie op grond waarvan een verruimde gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 250 kilogram stikstof per hectare op het bedrijf geldt. Voor het jaar 2013 meent appellante zich op 3 januari 2013 ook te hebben aangemeld voor deze derogatie. De minister heeft de verruimde gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 250 kilogram stikstof per hectare in het kalenderjaar 2013 niet toegepast voor het bedrijf van appellante. Volgens de minister voldoet appellante niet aan de voorwaarden voor derogatie, omdat de aanmelding voor derogatie 2013 ontbreekt en er voor het kalenderjaar 2013 sprake is van een overschrijding van de gebruiksnormen als bedoeld in artikel 8 van de Meststoffenwet (Msw).

1.3

In 2013 heeft de minister het bedrijf van appellante gecontroleerd op naleving van de randvoorwaarden in het kader van de aan appellante te verlenen rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling GLB voor het jaar 2013. In het kader van die controle heeft de minister vastgesteld dat appellante voor kalenderjaar 2013 de gebruiksnormen in de zin van artikel 8 van de Msw heeft overschreden en als gevolg daarvan een van de randvoorwaarden heeft geschonden, te weten het in artikel 7 van de Msw vervatte verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.

1.4

Bij zijn besluit van 29 april 2015 (het primaire besluit 1) heeft de minister voor het kalenderjaar 2013 een bestuurlijke boete opgelegd aan appellante wegens overtreding van artikel 7 van de Msw ten bedrage van € 88.269,-. De minister is daarbij uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen (met een overschrijding van 11.381 kilogram), de stikstofgebruiksnorm (met een overschrijding van 1.595 kilogram) en de fosfaatgebruiksnorm (met een overschrijding van 549 kilogram).

1.5

Bij besluit van 15 oktober 2015 (het primaire besluit 2) heeft de minister een korting toegepast van 3% op alle in dat besluit genoemde subsidies op grond van de Regeling GLB wegens het niet naleven van de randvoorwaarde door overtreding van artikel 7 van de Msw (randvoorwaardenkorting).

1.6

Bij zijn besluit van 19 oktober 2015 (het bestreden besluit 1), waartegen het beroep bij de rechtbank mede was gericht, heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 deels gegrond verklaard en de boete verminderd tot een bedrag van

€ 86.029,-. Het lagere boetebedrag is gebaseerd op een iets lagere overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen (met een overschrijding van 11.242 kilogram), de stikstofgebruiksnorm (met een overschrijding van 1.343 kilogram) en de fosfaatgebruiksnorm (met een overschrijding van 479 kilogram).

1.7

Bij zijn besluit van 4 februari 2016 (het bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

1.8

Tegen het bestreden besluit 2 heeft appellante beroep ingesteld bij het College geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/168 waarin het College heden eveneens uitspraak heeft gedaan, alsook bij de rechtbank Noord-Nederland geregistreerd onder zaaknummer LEE AWB 16/1178.

Uitspraken van de rechtbank

Uitspraak met kenmerk LEE 16/1178

2.1

In de uitspraak van 11 mei 2017, kenmerk LEE 16/1178 (de aangevallen uitspraak 2), heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. In de rechtsmiddelenclausule bij de uitspraak is opgenomen dat tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij het College. Appellante heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het College tegen de aangevallen uitspraak 2 (geregistreerd onder zaaknummer AWB 17/993).

Uitspraak met kenmerk LEE 15/4621

2.2

In de uitspraak van 11 mei 2017, kenmerk LEE 15/4621 (de aangevallen uitspraak 1) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het formulier, waarmee de toepassing van derogatie 2013 wordt aangevraagd, ook daadwerkelijk digitaal is verzonden. Appellante heeft geen ontvangstbevestiging van de aanmelding ontvangen, terwijl bij een succesvolle melding in de digitale omgeving van mijnrvo.nl een ontvangstbevestiging wordt verzonden met daarin het tijdstip van aanmelding. Een succesvolle melding wordt geregistreerd in het mijnrvo.nl systeem onder ‘mijn documenten’. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke bevestiging wel is ontvangen in de jaren 2012 en 2014, maar niet in het jaar 2013. De rechtbank acht het daarom ook niet aannemelijk dat er op de vermeende dag van registratie, op 3 januari 2013, een storing heeft plaatsgevonden. Bovendien merkt de rechtbank op dat het binnen de verantwoordelijkheid van de appellante zelf ligt om na te gaan of de aanmelding is gelukt. Dat de minister kan zien dat er in de digitale omgeving van mijnrvo.nl op 3 januari 2013 handelingen door appellante zijn verricht, betekent volgens de rechtbank niet dat de minister ook inzicht heeft in alle documenten en formulieren die door appellante zijn bewerkt. Het ontvangen van een bepaald formulier hoeft geen reden te zijn voor de minister om te denken dat appellante een melding derogatie beoogde.

2.4

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook indien appellante zich wel tijdig had aangemeld, appellante niet voldeed aan de voorwaarden van derogatie. De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) is per 1 januari 2013 gewijzigd. In artikel 25, vierde lid, van de Uitvoeringregeling is de voorwaarde opgenomen dat de landbouwer moet voldoen aan alle gebruiksnormen om voor derogatie in aanmerking te komen. Het wordt niet bestreden dat appellante de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen in 2013 heeft overschreden en daardoor niet aan alle gebruiksnomen voldeed. Appellante kon alleen daardoor al niet in aanmerking komen voor de derogatie in 2013.

2.5

Ten aanzien van het standpunt van appellante dat perceel 35 kwalificeert als landbouwgrond in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Msw en op grond daarvan meegenomen diende te worden in de berekening van de gebruiksnormen, merkt de rechtbank op dat het perceel grotendeels als zandafgraving is aan te merken en het lijkt alsof er weinig landbouwactiviteiten zijn ontplooid. Ook is er beperkt grasland aanwezig op het perceel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister perceel 35 daarom terecht niet aangemerkt als landbouwgrond.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing