College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-04-2018, ECLI:NL:CBB:2018:388, 16/1237
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-04-2018, ECLI:NL:CBB:2018:388, 16/1237
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 24 april 2018
- Datum publicatie
- 26 juli 2018
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2018:388
- Zaaknummer
- 16/1237
Inhoudsindicatie
bestuurlijke lus. Meststoffenwet
Uitspraak
tussenuitspraak
zaaknummer: 16/1237
16005
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2018 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2016, kenmerk 16/1263, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. A.J. Roos)
Procesverloop in hoger beroep
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2016.
[naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018.
De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
De Algemene Inspectiedienst (AID) heeft een landelijk onderzoek uitgevoerd
naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “Groenerije” of “CTE Service”. Op basis van dat onderzoek is vervolgens een onderzoek gestart naar [naam 1] , die een melkveebedrijf en een loonbedrijf te [plaats] voert, in verband met een controle op naleving van de Meststoffenwet (Msw). De AID heeft de bevindingen van zijn controle neergelegd in een afdoeningsrapport van 25 augustus 2010 (nr. 58408). Bij brief van 15 februari 2011 heeft de minister medegedeeld voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen en [naam 1] in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt. Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de minister een bestuurlijke boete opgelegd aan [naam 1] van in totaal € 45.000,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009. Op basis van het afdoeningsrapport van de AID is geconcludeerd dat in de periode van 28 april 2009 tot en met 23 juni 2009 twintig vrachten met dierlijke mest op het bedrijf van [naam 1] zijn aangevoerd. Bij de vaststelling van de overtreding en de berekening van de hoogte van de boete is de minister uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 9.672 kg, overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 614 kg en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 3.667 kg.
Bij besluit van 5 februari 2016 is de boete, vanwege het tijdsverloop tussen het boeterapport en het opleggen van de bestuurlijke boete, verlaagd naar € 40.500,-. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 5 februari 2016 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
“ 5.1. Daargelaten de beantwoording van de vraag of de gebruiksnormen zijn overschreden oordeelt de rechtbank dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van de door verweerder gestelde overtreding. Daartoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn zoon, buiten zijn medeweten, met [naam 2] had
afgesproken dat acht vrachten meststoffen bij eiser gelost zouden worden. Eiser was het met
deze afspraak niet eens, maar heeft na de nodige onenigheid met zijn zoon besloten om de
afspraak te respecteren. Eiser verwachtte dus acht vrachten mest. Op geen van de VDM’s is de naam van eiser als afnemer vermeld. Volgens verweerder had eiser de lossingen, die op reguliere werktijden hebben plaatsgevonden, moeten opmerken. Verweerder heeft echter geen inzicht gegeven in de
zichtbaarheid van de mestputten en de aanvoerroutes vanaf het land van eiser. Ook heeft
eiser verklaard dat hij een loonwerkbedrijf heeft, waardoor hij tijdens reguliere werktijden
vaak niet op zijn bedrijf aanwezig is. Verder rijden er regelmatig grote vrachtwagens op het
land van eiser, onder meer voor de aanvoer van veevoer en hooi en voor het transport van
melk. Ten aanzien van eerder opgelegde en betaalde boetes vanwege het niet (correct) invullen
van VDM’s heeft eiser ter zitting verklaard dat hij deze heeft beschouwd als leergeld. Zijn
rechtsbijstandsverzekeraar had aangegeven een procedure in dit kader niet te vergoeden.
Een procedure werd voor eiser daardoor te kostbaar. Toen eiser besloot niet op te komen
tegen de boetes, vermoedde hij niet dat er nog een boete opgelegd zou worden. Betaling van
de boetes kan dan ook, anders dan verweerder heeft aangevoerd, niet zonder meer worden
gezien als erkenning van de overtreding.
Volgens verweerder had eiser de mest ook kunnen ruiken, omdat varkensmest een andere
geur heeft dan andere mestsoorten. Eiser heeft niet ontkend dat hij de mest heeft geroken,
maar heeft de geur toegeschreven (en naar het oordeel van de rechtbank toe mogen
schrijven) aan de acht vrachten die eiser wel verwachtte.
Omdat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser van de gestelde overtreding een
verwijt gemaakt kan worden, kan het bestreden besluit vanwege het ontbreken van
voldoende motivering niet in stand blijven. Dat de boetes in andere Firebrick-zaken, zoals
door verweerder ter zitting aangevoerd, door de rechtbank en het College van Beroep voor
het bedrijfsleven wel in stand zijn gelaten, maakt dit niet anders. Ieder besluit moet namelijk
op zich voldoende gemotiveerd worden.
6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank
ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in
de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om te onderzoeken en aan te tonen dat
eiser verwijtbaar zou hebben gehandeld. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een
bestuurlijke lus toe te passen omdat het onzeker is wanneer het voor herstel van het gebrek
benodigde onderzoek kan worden afgerond. Verweerder zal daarom een nieuw besluit
moeten nemen op het bezwaar van eiser.”