College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:158, 18/994 en 18/995
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:158, 18/994 en 18/995
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 16 april 2019
- Datum publicatie
- 19 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:158
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3065, Overig
- Zaaknummer
- 18/994 en 18/995
Inhoudsindicatie
Boete wegens in rekening brengen te hoge pandbeleningsvergoeding
Uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 18/994 en 18/995
[naam 2] B.V., te [plaats 2] , appellante 2
[naam 3] B.V., te [plaats 3] , appellante 3
[naam 4] B.V., te [plaats 4] , appellante 4
[naam 5] B.V., te [plaats 5] , appellante 5
[naam 6] B.V., te [plaats 5] , appellante 6
[naam 7] B.V., te [plaats 6] , appellante 7(hierna tezamen aangeduid als appellanten)
(gemachtigde: mr. J.J.M. Sluijs),
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2018, kenmerk 17/3412 en kenmerk 17/3413, in de gedingen tussen
appellanten
(gemachtigden: mr. J.A.H. Koomen en mr. T. Telder).
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten 1 tot en met 6 hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 26 april 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:3065). Dit hoger beroep is geregistreerd onder zaaknummer 18/995.
Appellante 7 heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:3063). Dit hoger beroep is geregistreerd onder zaaknummer 18/994.
ACM heeft een verweerschrift ingediend.
Ten aanzien van een aantal stukken die ACM heeft overgelegd in de zaak van appellanten 1 tot en met 6, heeft ACM met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan zal mogen kennisnemen.
Het College heeft op 1 november 2018 beslist dat beperking van de kennisneming van deze stukken niet gerechtvaardigd is. Naar aanleiding van deze beslissing heeft ACM het College verzocht om de dossierstukken 97, 99, 105 en 115 niet langer als vertrouwelijk te beschouwen en toe te voegen aan het openbare dossier. ACM heeft ervoor gekozen om de dossierstukken 5, 6 en 9, ten aanzien waarvan ACM beperkte kennisname had verzocht, niet langer als onderdeel van het dossier te zien.
Bij besluit van 3 december 2018 heeft ACM appellanten 1 tot en met 6 uitstel van betaling in de vorm van een betalingsregeling verleend. Appellanten 1 tot en met 6 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. ACM heeft dit bezwaar bij brief van 17 januari 2019 aan het College gezonden. ACM heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn voor appellanten verschenen
[naam 8] , [naam 9] ( [naam 9] ) en [naam 10] (financieel deskundige). ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Grondslag van de geschillen
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.
Appellanten zijn pandhuizen die pandbeleningen aanbieden. Naar aanleiding van signalen dat appellanten bij consumenten te hoge pandbeleningsvergoedingen in rekening hebben gebracht, heeft ACM hiernaar onderzoek gedaan. De bevindingen van het onderzoek dat is gericht op appellanten 1 tot en met 6 zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van
28 juli 2016 en de bevindingen van het onderzoek, gericht op appellante 7 zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 13 juli 2016. De conclusie van deze rapporten is dat appellanten 1 tot en met 6 in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 december 2015 en appellante 7 in de periode van 1 juli 2015 tot en met 24 maart 2016 bij consumenten een pandbeleningsvergoeding in rekening hebben gebracht van 9%, terwijl sinds 1 juli 2015 ten hoogste een pandbeleningsvergoeding in rekening mag worden gebracht van 4,5%.
Bij afzonderlijke besluiten van 12 oktober 2016 (primaire besluiten) heeft ACM op grond van artikel 2.9 van de Wet handhaving consumentenbescherming bestuurlijke boetes opgelegd van € 37.500,- aan appellanten 1 en 3 tot en met 6, van € 30.000,- aan appellante 2 en van € 220.000,- aan appellante 7. Hieraan heeft ACM, onder verwijzing naar de onderzoeksrapporten, ten grondslag gelegd dat appellanten in strijd met het bepaalde in artikel 8.10 van de Wet handhaving consumentenbescherming, artikel 7:137 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Besluit van 13 maart 2014, houdende de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 137 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (percentage pandbeleningsvergoeding) (Stb. 2014, 123) een hogere pandbeleningsvergoeding in rekening hebben gebracht dan is toegestaan. Op grond van de Boetebeleidsregel ACM 2014 (Boetebeleidsregel) kan voor de vastgestelde overtreding (categorie III) een boete worden opgelegd met een bandbreedte tussen € 100.000,- en
€ 300.000,-. Volgens ACM hebben appellanten de belangen en het vertrouwen van kwetsbare consumenten geschaad door overeenkomsten te sluiten waarbij een te hoge vergoeding in rekening is gebracht. Appellanten 1 tot en met 6 hebben in totaal 16.128 overeenkomsten met een te hoge vergoeding gesloten en hiermee in totaal € 152.739,83 aan extra inkomsten gegenereerd. Appellante 7 heeft 24.198 overeenkomsten met een te hoge vergoeding gesloten en daarmee in totaal € 135.260,- aan extra inkomsten gegenereerd. Voor appellanten 1 en 3 tot en met 6 heeft ACM een basisboete vastgesteld van € 125.000,- en voor appellante 2 een basisboete van € 100.000,-. Deze basisboetes bedragen tezamen € 725.000,-. Echter, omdat is gebleken dat appellanten 1 tot en met 6 en de met deze appellanten verbonden holding niet in staat zijn om deze boetes te betalen, heeft ACM de boetes met 70% verlaagd tot voornoemde bedragen. Voor appellante 7 heeft ACM een basisboete vastgesteld van € 200.000,-. ACM heeft dit bedrag vervolgens met toepassing van artikel 2.8 van de Boetebeleidsregel verhoogd met 10% tot € 220.000,-. Voor die verhoging heeft ACM van belang geacht dat appellante 7 ten tijde van het bedrijfsbezoek van ACM wist dat zij een te hoge pandbeleningsvergoeding in rekening bracht en dat zij hier vervolgens nog drie maanden doelbewust mee is doorgegaan.
Bij afzonderlijke besluiten van 21 april 2017 (bestreden besluiten) heeft ACM de door appellanten 1 tot en met 6 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het tot deze appellanten gerichte besluit van 12 oktober 2016 herroepen, de aan appellanten 1 en 3 tot en met 6 opgelegde boetes verlaagd tot € 32.500,-, de aan appellante 2 opgelegde boete verlaagd tot
€ 26.000,- en het door appellante 7 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de verlaging van de aan appellanten 1 tot en met 6 opgelegde boetes heeft ACM van belang geacht dat uit de door deze appellanten overgelegde financiële gegevens is gebleken dat zij niet in staat zijn om de opgelegde boetes te dragen. Hoewel de omzet in 2016 is gestegen, hebben de ondernemingen te kampen met een negatief resultaat over 2016 en lijkt de beschikbare kredietruimte gering. Ook laat de financiële prognose voor 2017 en 2018 geen verbetering zien. Gelet hierop heeft ACM in heroverweging aanleiding gezien om de opgelegde boetes te matigen.
Bij besluit van 7 augustus 2017 heeft ACM appellante 7 uitstel van betaling van de boete in de vorm van een betalingsregeling verleend.
Uitspraken van de rechtbank
De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in de onderhavige hoger beroepen nog van belang, in de aangevallen uitspraken overwogen dat appellanten niet hebben betwist dat zij een hogere pandbeleningsvergoeding in rekening hebben gebracht dan wettelijk is toegestaan. De rechtbank heeft appellanten niet gevolgd in hun beroepsgrond dat deze regelgeving buiten toepassing moet blijven omdat daarmee de verdiencapaciteit van appellanten wordt beperkt en de goodwill van appellanten daardoor minder waard is geworden. Appellanten hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een aantasting van eigendomsrecht. Voor zover dat al het geval zou zijn, hebben appellanten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van goodwill die zou vallen onder het beschermingsbereik van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor zover de aantasting van de goodwill bestaat uit beperking van de verdiencapaciteit gaat het om toekomstige inkomsten die niet reeds zijn verdiend of waarop reeds rechtens afdwingbare aanspraken bestaan. Van een schending van artikel 14 van het EVRM (verbod van discriminatie) is evenmin sprake. Daarbij is van belang dat alle pandhuizen de gelegenheid is geboden om zich aan de nieuwe situatie aan te passen doordat de maximale pandbeleningsvergoeding stapsgewijs is ingevoerd en het percentage op zo’n niveau is vastgesteld dat de meest efficiënte pandhuizen nog winst kunnen maken. De keuze van appellanten om een bedrijfsmodel te hanteren waarmee zij zich, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, kennelijk in een andere positie hebben gebracht dan andere pandhuizen, in het bijzonder de gemeentelijke pandhuizen, is een commerciële keuze geweest die appellanten zelf hebben gemaakt. Die keuze en de daaruit voortvloeiende gevolgen dienen voor hun eigen rekening en risico te blijven.
Ten aanzien van de hoogte van de boetes die ACM heeft opgelegd, heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid die noopt tot matiging van de opgelegde boetes. De invoering van een maximaal rentepercentage was voorzienbaar en appellanten hadden hun bedrijfsvoering daarop kunnen inrichten. De gevolgen van de door appellanten in dat verband gemaakte bedrijfsmatige keuzes komen voor hun rekening en risico. Zij kunnen zich dus niet met succes erop beroepen dat zij zich genoodzaakt achten een hoger rentepercentage in rekening te blijven brengen. Verder heeft ACM terecht het aantal overeenkomsten waarbij een te hoge vergoeding in rekening is gebracht en de extra inkomsten die appellanten daarmee hebben gegenereerd, betrokken bij de beoordeling van de ernst van de overtredingen. Bij die beoordeling zijn de winst en ook het bedrijfsresultaat echter niet relevant, nu de hoogte hiervan onderhevig is aan overige in dit verband niet relevante factoren. Ook de omstandigheid dat klanten (kennelijk) op zichzelf tevreden zijn met de dienstverlening van appellanten doet niet af aan de ernst van de overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ACM ten aanzien van appellante 7 de omstandigheid dat zij ruim drie maanden doelbewust is doorgegaan met het in rekening brengen van een te hoge pandbeleningsvergoeding nadat zij hiermee door ACM werd geconfronteerd terecht aangemerkt als boete-verhogende omstandigheid. Van boete-verlagende omstandigheden is voorts geen sprake. Het al dan niet vereenvoudigd afdoen van een zaak betreft een discretionaire bevoegdheid van ACM en de medewerking van appellanten aan het onderzoek van ACM is niet verder gegaan dan op grond van artikel 5:20, eerste lid, van de Awb is vereist. Van een ongelijke behandeling van appellanten onderling is voorts niet gebleken. De verschillen in hoogte van de boetes zijn onder meer het gevolg van een verschil in het aantal door appellanten gesloten overeenkomsten waarbij een te hoge rente in rekening is gebracht en de duur van de overtreding. De rechtbank heeft tot slot het betoog van appellanten dat zij onvoldoende draagkracht hebben om de boetes te kunnen voldoen, verworpen.