College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:176, 17/291 en 17/292
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:176, 17/291 en 17/292
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 23 april 2019
- Datum publicatie
- 26 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:176
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:359, Overig
- Zaaknummer
- 17/291 en 17/292
Inhoudsindicatie
Boetes Meststoffenwet; mesttransporten; onjuiste VDM's; export van mest; feitelijk leidinggeven; boetebeleid om boetes voor medeplegen te verdelen over de overtreders; zelfvoorziende toepassing boetebeleid op boetes voor feitelijk leidinggeven
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 17/291 en 17/292
[naam 1] , te [plaats 1] ( [naam 1] ), en [naam 2] B.V., te [plaats 2] ( [naam 2] ), appellanten (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2017, met kenmerk SHE 16/1111, SHE 16/1114 en SHE 16/1115,
en
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2017, met kenmerk SHE 16/1112, SHE 16/1113 en SHE 16/1116,
in de gedingen tussen
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank Oost‐Brabant (rechtbank) van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:359 en ECLI:NL:RBOBR:2017:360).
De minister heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
De minister heeft in een nader stuk aangekondigd een deel van de boetes in te trekken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. De gemachtigden van partijen en [naam 1] zijn verschenen. Van de kant van de minister zijn ook verschenen [naam 3] en [naam 4] .
Bij brief van 22 januari 2019 heeft de minister het College de nieuwe beslissingen op bezwaar van die datum toegezonden.
Grondslag van het geschil
1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.
2. Op 1 mei 2012 is een controle uitgevoerd op het bedrijf van Hamefo International B.V. (Hamefo). Uit het daarover uitgebrachte rapport van 28 september 2012 komt naar voren dat Hamefo in twee periodes overtredingen heeft begaan, namelijk van 1 november 2011 tot en met 31 december 2011 (de eerste periode) en van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2012 (de tweede periode). Het gaat daarbij in beide periodes om drie soorten overtredingen, namelijk, kort gezegd, het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht van artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw), het in strijd met artikel 53 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet niet naar waarheid opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM's) en het in strijd met artikel 57b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet niet volledig of niet naar waarheid verstrekken van gegevens inzake de export van dierlijke meststoffen.
3. Eén van de twee bestuurders van Hamefo was destijds [naam 2] , waarvan [naam 1] bestuurder en enig aandeelhouder was. Vanwege de overtredingen in de twee periodes heeft de minister bij afzonderlijke besluiten van 12 december 2013 boetes opgelegd aan [naam 2] als medepleger, aan [naam 1] als medepleger, en aan [naam 1] als feitelijk leidinggever.
4. De minister heeft in zijn besluiten van 23 en 29 februari 2016 de bezwaren van appellanten deels gegrond verklaard en de opgelegde boetes verlaagd.
Uitspraak van de rechtbank
5. De aangevallen uitspraak met kenmerk SHE 16/1112, SHE 16/1113 en SHE 16/1116 ziet op de overtredingen in de eerste periode, de andere op de overtredingen in de tweede periode. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten gegrond verklaard. De boetes voor [naam 2] heeft de rechtbank bepaald op € 134.946,- (periode 1) en op € 81.439,34 (periode 2). De boetes voor [naam 1] als feitelijk leidinggever heeft de rechtbank bepaald op € 120.690,- (periode 1) en € 82.863,- (periode 2). De boetes voor [naam 1] als medepleger heeft de rechtbank voor beide periodes herroepen.