College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:181, 18/561
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:181, 18/561
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 30 april 2019
- Datum publicatie
- 3 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:181
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:992, Overig
- Zaaknummer
- 18/561
Inhoudsindicatie
Hoger beroep, meststoffenwet, bestuurlijke boete
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 18/561
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 29 maart 2018, kenmerk AWB 17/2740, in het geding tussen
appellante
en
(gemachtigde: mr. H.J. Kram).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 29 maart 2018 (ECLI:NL:RBOVE:2018:992).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellante is een vervoerder die onder andere dierlijke meststoffen (pluimveemest) naar het buitenland exporteert.
Op 20 januari 2016 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) een controle uitgevoerd met betrekking tot twee volgens het Digitaal Dossier geplande transporten van onbewerkte pluimveemest voor de export. Blijkens die gegevens was appellante de vervoerder. De leverancier was [naam 2] Holding B.V. en de laadlocatie was [adres 1] te [plaats 2] . Aan deze twee transporten waren vervoersbewijzen dierlijke mest (hierna: VDM) met nummers [... 1] en [... 2] gekoppeld. Uit onderzoek op de laadlocatie, door middel van een aldaar door [naam 2] (hierna: [naam 2] ) afgelegde verklaring, bleek dat er op de laadlocatie op deze datum geen pluimveemest was geladen. Op een ander pluimveebedrijf van [naam 2] , aan de [adres 2] te [plaats 3] , zijn op 20 januari 2016 drie vrachtwagens met pluimveemest geladen en afgevoerd door appellante, aldus [naam 2] in zijn verklaring.
Nader onderzoek door de toezichthouders heeft, samengevat weergegeven, het navolgende uitgewezen:
- VDM-nummer [... 1] : de in het Report Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (hierna: RVDM) vermelde laadlocatie ( [plaats 2] ) komt niet overeen met de werkelijke laadlocatie ( [plaats 3] );
- VDM-nummer [... 2] : de in het RVDM vermelde laadlocatie ( [plaats 4] ) en de AGR/GPS-laadlocatie ( [plaats 4] ) komen niet overeen met de werkelijke laadlocatie ( [plaats 3] );
- VDM-nummer [... 3] : de opgegeven transportdatum (19 januari 2016) komt niet overeen met de werkelijke transportdatum (20 januari 2016). De in het RVDM vermelde laadlocatie ( [plaats 2] ) komt niet overeen met de werkelijke laadlocatie ( [plaats 3] ).
De toezichthouders hebben op basis van hun onderzoek een rapport van bevindingen met rapportnummer 92589, gedateerd 31 mei 2016 (hierna: het NVWA-rapport), opgesteld.
In het primaire besluit van 17 juni 2016 heeft de minister op basis van het
NVWA-rapport bestuurlijke boetes aan appellante opgelegd. Ten eerste omdat appellante de vervoersgegevens (met behulp van AGR en GPS) niet op de juiste wijze heeft vastgelegd. Dit betreft een overtreding van de artikelen 15 en 34 van de Meststoffenwet (Msw) juncto artikel 49, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsbesluit) juncto de artikelen 55 en 56 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling). De feitcode is M259. De boete bedraagt € 300,- per overtreding. Deze overtreding is één keer gepleegd. Daarnaast heeft appellante VDM’s niet naar waarheid opgemaakt. Dit betreft overtredingen van de artikelen 15 en 34 van de Msw juncto artikelen 53, tweede en derde lid, en 54 van het Uitvoeringsbesluit juncto artikelen 61 en 62 van de Uitvoeringsregeling. De feitcode is M303. De boete bedraagt € 300,- per overtreding. Deze overtreding is drie keer gepleegd. Verder heeft appellante de melding van het daadwerkelijke transport niet naar waarheid gedaan. Dit betreft overtredingen van artikel 34 van de Msw juncto artikel 57b, tweede lid, en artikel 124, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. De feitcode is M486. De boete bedraagt € 200,- per overtreding. Deze overtreding is drie keer gepleegd. De minister heeft in totaal een bedrag van ((1 x € 300,-) + (3 x € 300,-) + (3 x € 200,-) =) € 1.800,- aan bestuurlijke boetes opgelegd.
Bij zijn besluit van 12 december 2017, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het primaire besluit gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank is zowel het primaire besluit als het bestreden besluit genomen door de op die momenten bevoegde bestuursorganen, zodat de daartegen gerichte beroepsgrond niet slaagt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat op pagina 7 van het rapport van de NVWA staat verwoord dat de toezichthouder bij aanvang aan
[naam 3] heeft meegedeeld dat hij niet verplicht was op diens vragen te antwoorden, zodat de daartegen gerichte beroepsgrond feitelijke grondslag mist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn besluitvorming op het NVWA-rapport mogen baseren, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bevoegd is om appellante bestuurlijke boetes op te leggen vanwege zeven overtredingen van de meststoffenwetgeving. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat van verminderde verwijtbaarheid of het geheel ontbreken van verwijtbaarheid geen sprake is. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank van matiging wegens schending van het bepaalde in de artikelen 4:7 en/of 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen sprake. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat van de door appellante gestelde dubbele beboeting geen sprake is omdat de gedragingen/handelingen van elkaar te onderscheiden zijn, de overtredingen dan ook afzonderlijk van elkaar kunnen worden begaan en tevens afzonderlijk beboetbaar zijn gesteld in de Uitvoeringsregeling. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase op grond van artikel 7:15 van de Awb niet aan de orde is en dat indien de minister wel een daadwerkelijke beslissing zou hebben genomen op het verzoek van appellante om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase, de minister dit verzoek zou hebben afgewezen. De rechtbank heeft het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit (het niet nemen van een beslissing op het verzoek van appellante om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase) met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd nu aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld.