Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:185, 17/224

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-04-2019, ECLI:NL:CBB:2019:185, 17/224

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30 april 2019
Datum publicatie
3 mei 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:185
Zaaknummer
17/224

Inhoudsindicatie

Verzoek terug te komen van een boetebesluit wegens overtreding van artikel 7 van de Msw en een daarmee samenhangende randvoorwaardenkorting.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 17/224

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 januari 2017, met kenmerk 16/3360, in het geding tussen

(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de aangevallen uitspraak).

De minister heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een reactie op het hoger beroepschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2017, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak van appellant geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/539 waarin het beroep van appellant ten aanzien van het verzoek om herziening van de aan hem voor het jaar 2012 opgelegde randvoorwaardenkorting voorligt. Deze laatste zaak is vervolgens voor het doen van uitspraak weer gesplitst.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (mr. ing. A.N.M. van Bavel). De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. J.H. Eleveld. Het College heeft het onderzoek in de zaak ter zitting gesloten.

Het College heeft bij beschikking van 12 april 2018 het onderzoek heropend en de minister verzocht op een aantal vragen nog antwoord te geven.

Bij brief van 8 juni 2018 heeft de minister zijn reactie toegezonden. Appellant heeft bij brief van 28 september 2018 daarop gereageerd.

Het College heeft bij brief van 4 oktober 2018 partijen medegedeeld voornemens te zijn het onderzoek te sluiten. Partijen zijn daarbij in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken dat zij gebruik willen maken van het recht op een nadere zitting. De minister heeft daarvan gebruik gemaakt.

De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.H. Spriensma-Heringa.

Grondslag van het geschil

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Appellant heeft verzocht om herziening van de bij het besluit van 28 augustus 2014 opgelegde bestuurlijke boete van € 30.023,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). In dit besluit heeft (rechtsvoorganger van) de minister geoordeeld dat appellant de gebruiksnorm dierlijke meststoffen heeft overschreden. Appellant had zijn bedrijf aangemeld voor derogatie, om zo in aanmerking te komen voor een hogere gebruiksnorm van stikstof per hectare. Hiervoor had de landbouwgrond die feitelijk tot zijn bedrijf behoort, volgens de voorschriften, moeten zijn bemonsterd en geanalyseerd door een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium. Dit is naar het oordeel van de minister niet het geval. De minister gaat voor de datum van ingebruikname van de grond uit van 1 januari 2012 en heeft geen bewijsstukken aangetroffen die de stelling van appellant aannemelijk maken dat de 40 hectare landbouwgrond die in geding is pas in gebruik zijn genomen op 8 mei 2012, in welke geval de monsters van 15 mei 2012 tijdig zouden zijn geweest. Bij het besluit van 17 december 2015 heeft de minister het verzoek om herziening afgewezen. Daarbij heeft de minister gewezen op de onherroepelijkheid van het besluit van 28 augustus 2014, op het besluit van 26 november 2014, waarbij het bezwaar tegen de opgelegde bestuurlijke boete niet-ontvankelijk is verklaard, en op de uitspraak van 21 juli 2015 waarbij het beroep tegen dat laatste besluit ongegrond is verklaard, alsmede op het niet blijken van gewijzigde feiten of omstandigheden. Bij besluit van 25 april 2016 heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2015 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 april 2016 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

Voorop gesteld wordt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet voor dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd. De overgelegde afstandsverklaringen van september 2015 die dienen ter ondersteuning van het standpunt van appellant, zijn niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te merken als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gesteld noch gebleken is dat deze niet voor het nemen van het besluit van 28 augustus 2014 konden en derhalve behoorden te worden opgesteld en ingebracht. Dat eiser niet eerder dan ten tijde van het herzieningsverzoek professionele rechtsbijstand had ingeroepen vormt evenmin een nieuw feit of veranderde omstandigheid, nu hij die immers ook eerder had kunnen inroepen. Andere feiten en omstandigheden zijn niet aangevoerd, zodat vervolgens moet worden bezien of sprake is van de uitzondering van evidente onredelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat het enkele financiële belang niet leidt tot het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van het besluit van 28 augustus 2014. Verder heeft een medewerker van de minister in de contacten met eiser, naar voor de rechtbank voldoende is komen vast te staan, niet meer gedaan dan te wijzen op de mogelijkheid van het indienen van een herzieningsverzoek zonder daarbij een toezegging te doen dat dit verzoek zou worden ingewilligd. Ook heeft de minister met de opmerking dat de gang van zaken met betrekking tot het opleggen van de boete niet de schoonheidsprijs verdient, niet de onrechtmatigheid van het besluit erkend. De rechtbank komt om die redenen tot de conclusie dat van evidente onredelijkheid geen sprake is.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep