College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-07-2019, ECLI:NL:CBB:2019:259, 18/1917
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-07-2019, ECLI:NL:CBB:2019:259, 18/1917
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 2 juli 2019
- Datum publicatie
- 2 juli 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:259
- Zaaknummer
- 18/1917
Inhoudsindicatie
Fosfaatrechten. Grondgebondenheid.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 18/1917
en
(gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. A. Spriensma).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het op het bedrijf van appellant rustende fosfaatrecht, met een generieke korting, vastgesteld.
Bij besluit van 16 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant deels gehonoreerd en de korting teruggebracht van bijna 392 kg tot iets meer dan 209 kg.
Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. Appellant is niet verschenen, verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Verweerder heeft bij de vaststelling van het fosfaatrecht van appellant een generieke korting toegepast, omdat appellant niet grondgebonden zou zijn. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van te hoge PAL-waarden. Als bewijs heeft hij de analyseverslagen van diverse bodemonderzoeken ingezonden. Dat bewijs gaf verweerder aanleiding de fosfaatruimte van appellant te verhogen van (afgerond) 4.303 kg naar 4.511 kg.
In beroep wijst terecht appellant op de rekenfout in de tabel “oppervlakte grasland” op pagina 4 van het bestreden besluit; het product van 2,20 x 120 is 264 kg (en niet, zoals in de tabel staat 260 kg). Dat leidt echter niet tot een grotere fosfaatruimte, want verweerder heeft, zoals blijkt uit de tabel op pagina 4 van de bij het bestreden besluit behorende bijlage (toch) gerekend met 264 kg.
Verder wijst appellant er terecht op dat de totale oppervlakte van de bij de herberekening van de fosfaatruimte in aanmerking genomen percelen 0,06 ha lager uitvalt dan de oppervlakte die verweerder bij de oorspronkelijke berekening in acht nam. Verweerder heeft daarover toegelicht dat hij in bezwaar aan de hand van luchtfoto’s uitgaat van een iets lagere oppervlakte van enkele percelen, waarbij hij nauwkeuriger de gewasgrenzen heeft afgebakend. Appellant heeft de juistheid van die nauwkeuriger afbakening niet weersproken. Het (totaal) resultaat is voor appellant niet slechter dan de uitkomst van het primaire besluit. Onder deze omstandigheden slaagt deze beroepsgrond niet.
Het laatste punt dat appellant naar voren brengt is dat het grondmonster van perceel Bleker niet is gebruikt. Dat perceel is (daardoor) ingedeeld in de categorie hoog (in plaats van laag). De monstername gebeurde op 23 april 2011 en dus meer dan vier jaar voor de peildatum (15 mei 2015). Op grond van artikel 103a, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet heeft deze bodemanalyse haar geldigheid verloren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep is ongegrond. Het College ziet geen reden voor proceskostenveroordeling.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. E.D.H. Nanninga
: