College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:333, 18/2712
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:333, 18/2712
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2019
- Datum publicatie
- 6 augustus 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:333
- Zaaknummer
- 18/2712
Inhoudsindicatie
Artikel 23, zesde lid, Msw (knelgevallenregeling).
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 18/2712
stille maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten),
en
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. G. Meijerink).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 8.997 kilogram (kg).
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2019. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Bij de berekening van het fosfaatrecht is verweerder uitgegaan van de op 2 juli 2015 aanwezige 172 melkkoeien en 192 stuks jongvee, en heeft hij rekening gehouden met een melkproductie per koe van 7.617 kg (wat een excretieforfait oplevert van 39,1). Op 30 maart 2018 heeft verweerder een melding ontvangen, waarin appellante aangeeft dat per september 2013 op haar bedrijf een uitbraak was van Bovine Virus Diarree (BVD).
Appellante betoogt dat verweerder bij de berekening van het fosfaatrecht de feitelijke bedrijfssituatie op 2 juli 2015 dient te vergelijken met de bedrijfssituatie zoals die zou zijn geweest indien de dierziekte zich niet had voorgedaan. Appellante verzoekt verweerder rekening te houden met 23 dieren die zijn afgevoerd wegens diergezondheidsproblemen en dit aantal op te tellen bij het aantal dieren op 2 juli 2015.
Verweerder heeft de dieraantallen en melkproductie op 2 juli 2015 vergeleken met die op 1 september 2013. Voor 1 september 2013 berekent verweerder het fosfaatrecht op 10.226 kg en voor 2 juli 2015 op 9.811 kg (telkens afgrond en zonder generieke korting). Hiermee voldoet appellante niet aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op de peildatum minimaal vijf procent lager is dan op de alternatieve peildatum (5%-drempel).
In dit geval is de groei (tijdelijk) gestagneerd door dierziekte. In zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft het College gewezen op zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) waarin over artikel 23, zesde lid, van de Msw is geoordeeld dat ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen, een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op 2 juli 2015 de peildatum moet plaatsvinden. Dat dit tot gevolg kan hebben dat de stagnatie in de groei door de dierziekte, niet meer wordt gecompenseerd, heeft het College onder ogen gezien en aanvaard. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr.3, p. 40 “De knelgevallenvoorziening die in het wetsvoorstel is opgenomen betrekt bewust niet wat in de toekomst met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar kijkt naar het verleden...” en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr.7, p.47 “Het gaat er nadrukkelijk niet om een vergelijking met de toekomst te maken. Ondernemers die voornemens waren hun bedrijf uit te breiden maar die uitbreiding nog niet hadden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling”). Dat verweerder dit uitgangspunt niet alleen hanteert voor (beoogde en gerealiseerde) uitbreidingen na 2 juli 2015, maar ook van toepassing acht op niet gerealiseerde uitbreidingen op die peildatum, heeft het College in die uitspraken in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever in het kader van de vaststelling van de situatie die in redelijkheid op het bedrijf mocht worden verwacht. De wetgever zag geen plaats om toekomstige ontwikkelingen te betrekken, teneinde verhoging van het fosfaatrecht door (nog niet verwezenlijkte) uitbreidingsplannen te voorkomen. Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Verweerder heeft de knelgevallenregeling juist toegepast, deze beroepsgrond faalt.
Evenmin ziet het College aanleiding voor een nieuw onderzoek door verweerder naar de omstandigheden van het bedrijf van appellante, zoals ter zitting namens haar is verzocht. Voor de niet gerealiseerde uitbreiding staat wel beroep open op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). In dit geval heeft appellante echter niet betoogd dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het College ziet derhalve evenmin aanleiding voor een toetsing aan artikel 1 EP.
4. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems