College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:352, 17/1562 en 17/1575
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:352, 17/1562 en 17/1575
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2019
- Datum publicatie
- 13 augustus 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:352
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2826, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:7076, Overig
- Zaaknummer
- 17/1562 en 17/1575
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet; boete; faillissement van appellant; incidenteel hoger beroep
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 17/1562 en 17/1575
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2019 op de incidentele hoger beroepen van:
tegen de tussenuitspraak van 21 december 2016 en de einduitspraak van 23 mei 2017 van de rechtbank Gelderland, kenmerk AWB 15/3215, AWB 15/3217, AWB 15/3218, AWB 15/3219, AWB 15/3220 en AWB 15/3221, in de gedingen tussen onder anderen
appellant
en
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop in hoger beroep
De minister (voorheen: de staatssecretaris van Economische Zaken) heeft hoger beroep ingesteld tegen de einduitspraak van 23 mei 2017 van de rechtbank Gelderland (rechtbank) (ECLI:NL:RBGEL:2017:2826).
Bij brief van 15 september 2017 heeft het College de gronden van het hoger beroep aan appellant verzonden, destijds vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie (de advocaat).
De advocaat heeft op 26 oktober 2017 namens onder meer appellant incidenteel hoger beroepen ingesteld tegen de tussenuitspraak van 21 december 2016 van de rechtbank (ECLI:NL:RBGEL:2016:7076) en de einduitspraak.
Bij brief van 5 december 2018 aan het College heeft de advocaat medegedeeld dat hij appellant niet langer bijstaat.
Bij brief van 6 december 2018 zijn partijen uitgenodigd voor een zitting.
Het College heeft partijen vervolgens bericht dat de zitting komt te vervallen.
Op 4 februari 2019 is appellant in staat van faillissement verklaard.
Bij brief van 14 februari 2019 zijn partijen opnieuw uitgenodigd voor een zitting.
De minister heeft op 3 en 11 maart 2019 nadere stukken ingediend.
Op 11 maart 2019 heeft de minister het hoger beroep ingetrokken.
Bij besluit van 12 maart 2019 (wijzigingsbesluit) heeft de minister de beslissingen op bezwaar van 30 april 2015, gericht aan appellant, gewijzigd.
De minister heeft op 19 maart 2019 nadere stukken ingediend.
De curator van appellant heeft de minister op 19 maart 2019 medegedeeld dat hij de procedures niet overneemt.
De minister heeft op 27 maart 2019 wederom nadere stukken ingediend en verzocht om ontslag van instantie.
Het College heeft partijen, naar aanleiding van de stukken van de minister, bericht dat de zitting van 28 maart 2019 doorgang vindt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019. Appellant is verschenen. De minister is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Grondslag van het geschil
1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedures, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraken van de rechtbank van 21 december 2016 en 23 mei 2017 (de aangevallen uitspraken). Het College volstaat met het volgende.
2. Kort weergegeven gaan de gedingen over de boetes die de minister heeft vastgesteld wegens vijf overtredingen van de Meststoffenwet (Msw), het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit Msw) en de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Msw). De boetes houden verband met het vervoer van vaste mest door [naam 2] B.V. ( [naam 2] ) van en naar twee locaties, [locatie 1] en [locatie 2] , in de periode van 1 maart 2012 tot en met 10 mei 2012. Tot de beboete personen behoort onder meer appellant die destijds werkzaamheden verrichtte voor [naam 2] , onder meer als bestuurder en enig aandeelhouder van [naam 3] B.V., die tot 1 april 2012 één van de bestuurders van [naam 2] was. [naam 2] was voorafgaand aan de beboeting van appellant al in staat van faillissement verklaard.
3. De minister heeft appellant in twee hoedanigheden boetes opgelegd: als feitelijk leidinggever (een boete van € 70.200,-, zaaknummer 17/1575) en als medepleger (een boete van € 10.830,-, zaaknummer 17/1562).
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, de beroepen van appellant tegen de boetes voor het medeplegen en voor het feitelijk leidinggeven gegrond verklaard. De rechtbank heeft de beslissingen op bezwaar over het feitelijk leidinggeven en over het medeplegen vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank heeft daarbij de boete voor het feitelijk leidinggeven vastgesteld op € 22.320,-. De boete voor het medeplegen heeft de rechtbank vastgesteld op nihil.