College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:357, 17/1376 t/m 17/1384 en 19/98
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:357, 17/1376 t/m 17/1384 en 19/98
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2019
- Datum publicatie
- 20 augustus 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:357
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5744, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5777, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5774, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5782, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5780, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5779, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5765, Overig
- Zaaknummer
- 17/1376 t/m 17/1384 en 19/98
Inhoudsindicatie
Hoger beroep gegrond. Overtreding artikel 6 van de Mededingingswet (kartelverbod) door leesmapondernemingen. Enkele voortdurende overtreding. Geen beroep op artikel 7, tweede lid, van de Mededingingswet (
bagatelbepaling). Hoogte van de boete. Evenredigheidsbeginsel.
De door ACM gekozen constructie van hoofdelijke aansprakelijkheid bij de boete-oplegging aan de feitelijk leid inggevenden verdraagt zich niet met de Wet.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 17/1376 t/m 17/1384 en 19/98
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2019 op de hoger beroepen van:
[naam 2] (appellant 2) te [plaats 1]
(gemachtigde: mr. E.W.F. Schotanus)
[naam 4] B.V. (appellante 4) te [plaats 2]
(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars)
(gemachtigde: mr. J. Hooymayers)
[naam 7] B.V. (appellante 6b) te [plaats 4]
tezamen appellanten 6
[naam 8] (appellante 7) te [plaats 5]
[naam 9] (appellante 8) te [plaats 6]
(gemachtigde: mr. B. Nijhof)
[naam 11] B.V. (appellante 9b) te [plaats 7]
tezamen appellanten 9
[naam 12] (appellant 10) te [plaats 7]
(gemachtigde: mr. B. Nijhof)
[naam 14] B.V. (appellante 11b) te [plaats 8]
tezamen appellanten 11
[naam 15] (appellant 12) te [plaats 8]
(gemachtigde: mr. B. Nijhof)
[naam 17] (appellant 14),
(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)
[naam 19] (appellant 16)
(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)
[naam 21] B.V. (appellante 17b) te [plaats 12]
tezamen appellanten 17
[naam 22] (appellant 18)
(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)
[naam 24] B.V. (appellante 19b) te [plaats 13]
[naam 25] (appellante 19c) te [plaats 13]
[naam 26] B.V. (appellante 19d) te [plaats 13]
tezamen appellanten 19
[naam 27] (appellant 20)
(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2017, met de kenmerken ROT 15/6211, 15/6214, 15/6302, 15/6360, 15/6393, 15/6395, 15/6397, 15/6399, 15/6387, 15/6210, 15/6212, 15/6389, 15/6388 en 15/6391 in de gedingen tussen
(gemachtigden: mr. S.A. van der Does en mr. E.S. Meulman).
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten 1 tot en met 20 hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 27 juli 2017 in hun zaak (ECLI:NL:RBROT:2017:5744, ECLI:NL:RBROT:2017:5777, ECLI:NL:RBROT:2017:5774, ECLI:NL:RBROT:2017:5782, ECLI:NL:RBROT:2017:5780, ECLI:NL:RBROT:2017:5780, ECLI:NL:RBROT:2017:5779, ECLI:NL:RBROT:2017:5765).
ACM heeft reacties op de hogerberoepschriften ingediend.
Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen.
Naar aanleiding van vragen van het College over de mededeling heeft ACM de mededeling deels gewijzigd en van een nadere onderbouwing voorzien.
Enkele appellanten hebben gereageerd op de (gewijzigde) mededeling.
Op 22 januari 2019 is een comparitie gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
Bij beslissing van 28 januari 2019 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.
Op verzoek van het College heeft ACM de omzetgegevens over 2012 en 2013 van alle beboete partijen overgelegd. Ook heeft ACM het GfK-rapport van januari 2015 overgelegd.
De onderzoeken ter zitting hebben plaatsgevonden op 16 en 17 april 2019. Appellanten 2, 7, 10, 12 en 20 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Appellanten 1, 5, 6, 8, 9, 11 en 13 tot en met 19 en ACM hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde(n). Namens appellante 5 zijn tevens verschenen [naam 28] en [naam 29] . Appellant 3 en de gemachtigde van appellanten 3 en 4 zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Op verzoek van appellanten 13 tot en met 20 is ter zitting [naam 30] als deskundige gehoord.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
ACM is in 2011 een onderzoek gestart naar een mogelijke overtreding van het kartelverbod door ondernemingen die actief zijn op het gebied van distributie, verhuur en verkoop van leesmappen aan afnemers in Nederland.
ACM heeft op 30 augustus 2012 een boeterapport uitgebracht. Het rapport beschrijft twee afspraken: een afspraak uit 2004 en een afspraak uit 2010. Deze twee afspraken kwalificeren volgens het rapport ieder als een afzonderlijke vermoedelijke overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw).
Nadat appellanten hun zienswijze op het rapport hadden gegeven, heeft ACM bij besluit van 7 november 2013 (boetebesluit) aan onder meer appellanten bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw. De verweten gedragingen bestaan volgens het boetebesluit uit twee afspraken (uit 2004 en uit 2010), die inhouden dat geen klanten worden geworven onder elkaars klanten. De afspraken werden ondersteund door boetebedingen, overschrijfverboden, informatie-uitwisseling, en bi- en multilaterale gebiedsafspraken over klanten en overnames. ACM kwalificeert de gedragingen in het boetebesluit als een enkele voortdurende overtreding, die plaatsvond in de periode van 30 maart 2004 tot en met 30 augustus 2012, en die tot doel had de onderlinge mededinging af te zwakken. Volgens ACM is de doelstelling van de afspraken uit 2004 en 2010 identiek. Alle onderdelen van de afspraken waren bedoeld om rust in de markt te bewerkstelligen en zodoende marktaandelen te behouden in een krimpende markt. ACM stelt vast dat de afspraken nauw met elkaar verbonden zijn, omdat zij betrekking hebben op hetzelfde product, te weten leesmappen. Ook de uitvoeringswijze is vergelijkbaar. Bovendien bestaat er een grote (personele) overlap tussen de betrokken ondernemingen bij de beide afspraken.
ACM heeft (de rechtsvoorgangers van) appellanten 1, 4, 5, 6, 9 en 11 beboet wegens betrokkenheid gedurende de gehele periode van de overtreding. Appellanten 17 zijn beboet wegens betrokkenheid in de periode van 17 augustus 2009 tot en met 30 augustus 2012 en appellanten 13, 15 en 19 wegens betrokkenheid in de periode van 13 december 2010 tot en met 30 augustus 2012. ACM heeft appellanten 2, 3, 7, 8, 10, 12, 14, 16, 18 en 20 beboet wegens feitelijk leiding geven aan de overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw. ACM heeft de feitelijk leidinggevers hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een deel van de aan de onderneming opgelegde boete. ACM heeft afzonderlijke boetes voor de feitelijk leiddinggevers niet passend geacht, omdat de betrokken personen als directeur-grootaandeelhouder ook door de boete opgelegd aan de betrokken onderneming worden geraakt.
Bij beslissing op bezwaar van 31 augustus 2015 (bestreden besluit), waartegen de beroepen bij de rechtbank waren gericht, heeft ACM een deel van de boetes verlaagd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de (hoogte van de) boetes, en het bestreden besluit vernietigd en de boetes opnieuw vastgesteld. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boetes verminderd met 15% met een maximum van € 15.000,-. Ten aanzien van appellanten 13 en 14 heeft de rechtbank de boetes verder gematigd wegens de omvang van de onderneming en de draagkracht. De rechtbank heeft de boeteoplegging aan de ondernemingen zo opgevat dat de boetes tot de bedragen waarvoor de feitelijk leidinggevers hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld aan de ondernemingen en de feitelijk leidinggevers gezamenlijk zijn opgelegd, zodat de ondernemingen en de feitelijk leidinggevers hoofdelijk verbonden zijn tot betaling van dat bedrag. Het overige deel van de boetes is alleen opgelegd aan de ondernemingen. Dit heeft de rechtbank geleid tot vaststelling van boetes ter hoogte van de volgende bedragen:
- -
-
appellante 1: € 435.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellante 1 en appellante 2 is opgelegd, te weten € 122.000,-;
- -
-
appellant 2 gezamenlijk met appellante 1: € 122.000,-;
- -
-
appellanten 4 en 5: € 568.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 3, 4 en 5 is opgelegd, te weten € 122.000,-;
- -
-
appellant 3 gezamenlijk met appellanten 4 en 5: € 122.000,-;
- -
-
appellanten 6: € 235.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 6 en 7 is opgelegd, te weten € 85.000,-, en waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 6 en 8 is opgelegd, te weten € 8.500,-,
- -
-
appellante 7 gezamenlijk met appellanten 6: € 85.000,-;
- -
-
appellante 8 gezamenlijk met appellanten 6: € 8.500,-;
- -
-
appellanten 9: € 235.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 9 en 10 is opgelegd, te weten € 122.000,-;
- -
-
appellant 10 gezamenlijk met appellanten 9: € 122.000,-;
- -
-
appellanten 11: € 235.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 11 en 12 is opgelegd, te weten € 8.500,-;
- -
-
appellant 12 gezamenlijk met appellanten 11: € 8.500,-;
- -
-
appellanten 13 en 14 gezamenlijk: € 19.550,-;
- -
-
appellanten 15: € 235.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 15 en 16 is opgelegd, te weten € 42.500,-;
- -
-
appellant 16 gezamenlijk met appellanten 15: € 42.500,-;
- -
-
appellanten 17: € 235.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 17 en 18 is opgelegd, te weten € 68.000,-;
- -
-
appellant 18 gezamenlijk met appellanten 17: € 68.000,-;
- -
-
appellanten 19: € 235.000,-, waaronder het gedeelte dat gezamenlijk aan appellanten 19 en 20 is opgelegd, te weten € 42.500,-;
- -
-
appellant 20 gezamenlijk met appellanten 19: € 42.500,-.