Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-09-2019, ECLI:NL:CBB:2019:417, 17/1625 en 17/1626

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-09-2019, ECLI:NL:CBB:2019:417, 17/1625 en 17/1626

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17 september 2019
Datum publicatie
17 september 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:417
Zaaknummer
17/1625 en 17/1626

Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Controle jaarrekeningen 2012 en 2013 van professionele (auto- en truck-)dealergroep. De tuchtrechtelijke verwijten die de accountant treffen zijn dermate ernstig dat de bij de bestreden uitspraak opgelegde maatregel van berisping niet volstaat als een passende en geboden sanctie, ook niet nu enkele van de aan hem gerichte verwijten in hoger beroep geen stand houden. De accountant moet met name ernstig(er) worden aangerekend dat hij de continuïteitsparagraaf in het accountantsverslag 2013 zonder voorbehoud en in veel te positieve termen heeft verwoord, ook al betrof het een concept-verslag, waardoor banken en financiers op het verkeerde been (konden) zijn gezet. Het College acht passend en geboden de accountant de maatregel op te leggen van tijdelijke doorhaling voor de duur van een maand.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 17/1625 en 17/1626

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2019 op de hoger beroepen van:

[naam 1] U.A. ( [naam 1] ), te [plaats 1] , en [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), te [plaats 2] ,

(gemachtigde: mr. E.L. Zetteler)

en

(gemachtigden: mr. J.F. Garvelink en mr. F.T. Serraris)

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 september 2017, gegeven op een klacht, door [naam 1] en [naam 2] ingediend tegen [naam 3] .

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] en [naam 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 september 2017, met nummer 16/1441 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2017:62). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 17/1625.

[naam 3] heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde uitspraak. Dit hoger beroep is geregistreerd met zaaknummer 17/1626.

Partijen hebben een schriftelijke reactie op elkaars hogerberoepschriften gegeven.

[naam 3] heeft een aanvullend stuk ingediend, een opinie van prof. J.C.A. Gortemaker RA. [naam 1] en [naam 2] hebben in reactie hierop een opinie ingediend van prof. mr. dr. M. Pheijffer RA.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019.

[naam 3] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. [naam 1] en [naam 2] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Van de zijde van [naam 1] is tevens verschenen [naam 4] RA, bij [naam 1] werkzaam als CFO. Van de zijde van [naam 2] is verschenen [naam 5] , (mede)bestuurder van [naam 2] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 3] is als openbaar accountant verbonden aan [naam 6] te [plaats 3] ( [naam 6] ). Dit kantoor was vanaf boekjaar 2008 de controlerend accountant van [naam 7] N.V. ( [naam 7] ). [naam 3] heeft goedkeurende controleverklaringen verstrekt bij de jaarrekeningen 2010 tot en met 2012 van [naam 7] .

De [naam 7] groep was een professionele (auto- en truck-)dealergroep, actief in Nederland en daarbuiten. [naam 1] en [naam 2] zijn voormalige grootaandeelhouders van [naam 7] . De bestuurders van [naam 1] en [naam 2] vormden tevens de raad van commissarissen (RvC) van [naam 7] .

[naam 3] heeft op 31 mei 2013 bij de jaarrekening 2012 van [naam 7] een goedkeurende verklaring afgegeven. De controle van de conceptjaarrekening 2013 heeft hij niet afgerond. In aanloop naar de RvC-vergadering van 8 april 2014 heeft [naam 3] wel op 1 april 2014 zijn rapportage “Uitkomsten controle en overige informatie 2013” (accountantsverslag 2013) naar de stand van dat moment aan de directie en de RvC van [naam 7] gestuurd. Op pagina 2 daarvan staat onder 1.2.1 “Controleverklaring” vermeld:

“De controle van de jaarrekening 2013 is nog niet volledig afgerond. Een aantal posten in de jaarrekening worden momenteel nader onderbouwd door de directie van [naam 7] . De betreffende posten zijn overigens wel reeds besproken met ons. Wij verwachten dan ook om na afronding van onze laatste werkzaamheden een goedkeurende controleverklaring bij de enkelvoudige en de geconsolideerde jaarrekening van de vennootschap over het boekjaar geëindigd op 31 december 2013 te verstrekken.”

[naam 7] is op 22 augustus 2014 failliet verklaard.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt het volgende in:

A. [naam 3] heeft de jaarrekening 2012 van [naam 7] ten onrechte van een goedkeurende controleverklaring voorzien, omdat:

1. het hem telkens aan een professioneel-kritische instelling heeft ontbroken;

2. hij telkens met volstrekt onvoldoende diepgang de aan de waarderingen en resultaatnemingen ten grondslag liggende veronderstellingen en aannames van het management van [naam 7] heeft gecontroleerd en aanvaard;

3. hij geen, althans onvoldoende, controlewerkzaamheden heeft uitgeoefend ten aanzien van die veronderstellingen en aannames en hij deze niet, althans onvoldoende, op juistheid heeft getoetst;

4. hij ook niet conform NV COS 230.2 adequate controledocumentatie heeft vervaardigd die voorziet in een toereikende vastlegging van de onderbouwing van de accountantsverklaring en van informatie die aantoont dat de controle is uitgevoerd in overeenstemming met de Standaarden en met de vereisten, voortkomend uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

[naam 3] heeft in het accountantsverslag 2013 bij de conceptjaarrekening 2013 van [naam 7] ten onrechte gesuggereerd dat deze een getrouwe weergave bood van het eigen vermogen en het resultaat.

Ter toelichting hebben [naam 1] en [naam 2] gewezen op een achttal posten uit de jaarrekening en op de continuïteitsevaluatie, waaruit volgens hen blijkt dat [naam 3] onvoldoende controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd. Dit betreffen de volgende posten:

i. immateriële vaste activa (a. kosten voor onderzoek en ontwikkeling en b. goodwill);

ii. latente belastingvorderingen;

iii. materiële vaste activa (machines en inventaris, leaseauto's);

iv. voorraden;

v. onderhanden werk;

vi. debiteuren;

vii. inkoopbonussen;

viii. verplichtingen/voorzieningen;

ix. continuïteit.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in de onderdelen i, ii, iii (deels), iv, v, vii, viii (vijfde post) en ix gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. De accountantskamer is, samengevat, van oordeel dat [naam 3] onvoldoende betrouwbare controle-informatie heeft vergaard over de post onderzoek en ontwikkeling, waarin forse bedragen zijn begrepen die betrekking hadden op interne uren van eigen personeel. Voorts heeft hij nagelaten bij de directie aan de orde te stellen dat bepaling van de realiseerbare waarde van nog niet in gebruik genomen projecten achterwege was gebleven. Ook had hij op ‘impairment testing’ van de post goodwill in de conceptjaarrekening moeten aandringen. Verder had [naam 3] moeten opmerken dat latente belastingvorderingen en acute belastingverplichtingen gesaldeerd in de balans waren opgenomen. Bij de controle van de post machines en inventaris zijn de werkzaamheden bedoeld in paragraaf 8 van NVCOS 500 niet verricht. Tevens is sprake van meerdere tekortkomingen bij de controle van de post voorraden, de post onderhanden werk en de resultaatneming van inkoopbonussen. Ten slotte werden de verwachtingen die werden gewekt in het accountantsverslag 2013 niet gerechtvaardigd door de werkzaamheden die waren uitgevoerd in het kader van de controle op de hantering van de continuïteitsveronderstelling.

De accountantskamer heeft [naam 3] de maatregel van berisping opgelegd. De accountantskamer rekent het [naam 3] aan dat bovengenoemde verzuimen zich hebben voorgedaan bij de controle van jaarrekeningen over twee jaren, en in het accountantsverslag over 2013, ten aanzien waarvan hij kon weten dat de inhoud ervan van essentieel belang was voor de aandeelhouders en financiers van [naam 7] . Gelet hierop en het – door [naam 3] wel onderkende – risico had van [naam 3] een hogere mate van oplettendheid en een meer professioneel-kritische opstelling mogen worden verwacht.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep