Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-10-2019, ECLI:NL:CBB:2019:498, 18/589

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-10-2019, ECLI:NL:CBB:2019:498, 18/589

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15 oktober 2019
Datum publicatie
15 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:498
Zaaknummer
18/589

Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Aanvraag om vergunning op grond van artikel 2:65 Wet op het financieel toezicht terecht afgewezen. Betrouwbaarheid en geschiktheid beleidsbepalers.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 18/589

[naam 1] B.V., voorheen [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P. Koorn),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2018, kenmerk ROT 17/1114, in het geding tussen

(gemachtigden: mr. C. de Rond en mr. A.J. Boorsma).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 29 maart 2018.

AFM heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Bij brief van 13 september 2018 heeft AFM de vertrouwelijke versie van een tweetal stukken overgelegd waarvan de rechtbank in eerste aanleg heeft geoordeeld dat beperkte kennisneming als bedoeld is artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (deels) gerechtvaardigd is en ten aanzien waarvan AFM heeft meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 25 februari 2019 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. Appellante heeft het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Bij griffiersbrief van 5 maart 2019 is AFM verzocht, onder verwijzing naar randnummer 2.4.2 van het besluit tot afwijzing van de vergunningaanvraag, correspondentie met de Commission de Surveillance du Secteur Financier (CSSF) in Luxemburg van 25 juni 2014 en 12 november 2014 te overleggen, alsmede overige correspondentie met de CSSF die heeft plaatsgevonden in het kader van de beoordeling en afwijzing van de aanvraag van appellante, voor zover deze nog niet is overgelegd.

Bij brief van 11 maart 2019 heeft AFM een aantal stukken overgelegd en daarbij ten aanzien van sommige (delen) van deze stukken het verzoek gedaan dat uitsluitend het College daarvan kennis zal nemen. Bij beslissing van 20 maart 2019 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. Appellante heeft het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellante is onderdeel van de [naam 11] . De [naam 11] is opgericht en gestructureerd door vijf natuurlijke personen: [naam 6] ( [naam 6] ), [naam 7] ( [naam 7] ), [naam 8] ( [naam 8] ), [naam 9] en [naam 10] . Tot de [naam 11] behoort ook [naam 12] S.à.r.l. ( [naam 12] ). [naam 12] staat onder toezicht van de Luxemburgse toezichthouder, de CSSF.

1.3

Op 19 oktober 2012 heeft [naam 12] met [naam 13] B.V. ( [naam 13] ) een zogenaamde Fund Service Overeenkomst (FSO) gesloten. Volgens deze overeenkomst wenste de [naam 11] aan het publiek in Nederland de mogelijkheid te bieden vermogen op te bouwen in een beleggingsinstelling. [naam 13] is bereid voor de [naam 11] een beleggingsinstelling, het [naam 14] , op te richten en haar medewerking te verlenen aan het opzetten, structureren, distribueren en onderhouden van een dergelijk fonds. [naam 13] heeft AFM op 9 november 2012 gemeld dat zij het [naam 14] gaat beheren. AFM heeft dit fonds op 18 december 2012 geregistreerd. Het [naam 14] wordt aangeboden door een nevenvestiging van [naam 13] , actief onder de handelsnaam [naam 15] .

1.4

[naam 13] en [naam 12] hebben besloten hun samenwerking te beëindigen. Appellante heeft vervolgens op 16 oktober 2013 een vergunning aangevraagd op grond van 2:65 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarbij heeft appellante het [naam 14] als te beheren beleggingsinstelling aangemeld. Als beleidsbepalers zijn aangemeld [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] (de beoogde beleidsbepalers). Zij hebben het ‘Formulier Betrouwbaarheidsonderzoek’ van de AFM ingevuld en daarbij alle vragen over antecedenten met ‘nee’ beantwoord.

1.5

Bij besluit van 11 juni 2015 (het primaire besluit) heeft AFM de aanvraag van appellante om een vergunning op grond van artikel 2:65 van de Wft afgewezen.

1.6

Bij besluit van 3 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft AFM heeft het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

1.7

AFM heeft aan de afwijzing van de aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2:65 van de Wft, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de vergunningvereisten als bedoeld in artikel 2:67 van de Wft, omdat appellante verbonden is met personen in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die ondoorzichtig is, appellante niet beschikt over een integere en beheerste bedrijfsvoering, de betrouwbaarheid van [naam 8] , [naam 7] en [naam 6] niet (langer) buiten twijfel staat, en [naam 8] , [naam 7] en [naam 6] niet geschikt zijn als beleidsbepalers van een beleggingsinstelling.

1.8

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

2.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat AFM de aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2:65 van de Wft terecht heeft afgewezen. AFM is terecht tot de conclusie gekomen dat appellante niet voldoet aan de vergunningsvereisten van artikel 2:67, eerste lid, van de Wft. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan artikel 4:9, eerste lid (geschiktheid van de beoogde beleidsbepalers) en artikel 4:10, eerste lid, van de Wft (betrouwbaarheid van de beoogde beleidsbepalers). De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

Betrouwbaarheid van de beoogde beleidsbepalers

4. [naam 2] voert aan dat de AFM ten onrechte heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de beoogde beleidsbepalers niet buiten twijfel staat.

4.1

De AFM heeft aan de vaststelling dat de betrouwbaarheid van de beoogde beleidsbepalers van [naam 2] niet (langer) buiten twijfel staat ten grondslag gelegd dat er ten aanzien van ieder van hen 14 toezichtsantecedenten zijn. De AFM heeft de door de CSSF aan de beoogde beleidsbepalers opgelegde boetes aangemerkt als toezichtsantecedenten. [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] hebben ieder als beleidsbepaler bij [naam 12] tien keer een boete opgelegd gekregen van de CSSF. Deze boetes heeft de CSSF opgelegd vanwege het te laat inleveren van jaarstukken van [naam 12] , van een andere [naam 16] en van door [naam 12] beheerde fondsen in de jaren 2012, 2013 en 2014. Daarnaast heeft de CSSF op 18 september 2012 een maatregel opgelegd ten aanzien van [naam 12] . Deze maatregel houdt kort gezegd in dat de CSSF geen nieuwe fondsen zal accepteren die door [naam 12] worden beheerd, omdat [naam 12] een nieuw subfonds heeft gelanceerd zonder het vermogen van dat fonds in bewaring te geven bij de bewaarder van het bovenliggende paraplufonds en zonder dat de CSSF hierover is geïnformeerd. Deze maatregel heeft de AFM als toezichtsantecedent aangemerkt. De AFM heeft tot slot als toezichtsantecedent in aanmerking genomen dat de beoogde beleidsbepalers op het aanvraagformulier geen melding hebben gemaakt van de besluiten van de CSSF ten aanzien van [naam 12] . Zij hebben ook na aanvullende vragen van de AFM geen melding gemaakt van de maatregel van de CSSF van 18 september 2012. Tot slot hebben de beoogde beleidsbepalers tijdens de aanvraagprocedure geen melding gemaakt van de door de CSSF opgelegde boetes.

(...)

4.3

De AFM heeft terecht overwogen dat de door haar genoemde besluiten van de CSSF toezichtsantecedenten zijn als bedoeld in bijlage C, onder 4.1, van het BGfo. De beoogde beleidsbepalers waren er allen verantwoordelijk voor dat de betreffende (jaar)stukken tijdig aan de Luxemburgse toezichthouder werden verstrekt en dat in geval van niet-tijdige indiening van deze gegevens daarvoor een verklaring werd gegeven, maar dat is niet gebeurd. Gelet hierop zijn aan de Luxemburgse toezichthouder bij herhaling onvolledige gegevens verstrekt. Ook aan de door de CSSF op 18 september 2012 opgelegde maatregel ligt onder meer ten grondslag dat [naam 12] de CSSF niet volledig heeft geïnformeerd.

Ook heeft de AFM terecht vastgesteld dat er sprake was van een conflict met de CSSF. De CSSF heeft immers herhaaldelijk geconstateerd dat de beoogde beleidsbepalers de vigerende wet- en regelgeving niet hebben nageleefd en heeft daar consequenties aan verbonden in de vorm van het opleggen van boetes. Reeds gelet hierop is er objectief gezien sprake van een conflict met de toezichthouder, waaraan niet afdoet dat [naam 2] stelt dit niet zo te hebben ervaren. Of de CSSF begrip kan opbrengen voor de omstandigheden waaronder deze jaarstukken niet zijn ingeleverd en of de opgelegde boetes automatisch volgen uit de constatering van de wetsovertreding, zoals [naam 2] stelt, is niet van belang. Ook heeft de AFM terecht geconstateerd dat aan de maatregel van 18 september 2012 een conflict met de CSSF ten grondslag ligt. Deze maatregel heeft de CSSF immers gebaseerd op de constatering dat [naam 12] op diverse punten niet heeft voldaan aan de relevante regelgeving en dat zij de CSSF niet heeft geïnformeerd over haar handelwijze.

4.4

Op het ‘Formulier Betrouwbaarheidsonderzoek’ hebben de beoogde beleidsbepalers ten onrechte ‘nee’ ingevuld bij de vraag ‘Heeft één of meer instellingen waar u (mede)beleidsbepaler bent (geweest) (ooit) een conflict (gehad) met een (financiële) toezichthouder in binnen- of buitenland leidend tot een toezichtmaatregel, of verwacht u zo’n situatie binnen een jaar?’. Uit het voorgaande volgt immers dat een dergelijk conflict zich herhaaldelijk heeft voorgedaan. Met de AFM acht de rechtbank niet aannemelijk dat de vragen van het ‘Formulier Betrouwbaarheidsonderzoek’ op dit punt onduidelijk waren voor de beoogde beleidsbepalers. Voor zover er twijfel kon bestaan over de vraag of er sprake was van een ‘conflict’, hadden de beoogde beleidsbepalers de beslissingen van de CSSF in ieder geval moeten vermelden bij de ‘overige omstandigheden’, omdat hun redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze omstandigheden voor de AFM van belang waren in het kader van haar betrouwbaarheidsonderzoek. De boetes zijn immers opgelegd wegens de niet-naleving van financiële wetgeving door een toezichthouder met vergelijkbare taken als de AFM. Of de boetes administratieve maatregelen zijn en automatisch worden opgelegd, zoals [naam 2] stelt, is irrelevant. Nu op beoogde beleidsbepalers de verplichting rust de AFM volledig te informeren en het hun verantwoordelijkheid is aan de geldende regelgeving te voldoen, is evenmin relevant dat de AFM de informatie ook kon achterhalen via haar contacten met de CSSF. De AFM heeft daarom evenzeer terecht vastgesteld dat het niet uit eigen beweging melden van deze boetes en de maatregel een toezichtsantecedent oplevert. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de beoogde beleidsbepalers niet uit eigen beweging de maatregel van 18 september 2012 aan de AFM hebben gemeld, ook niet nadat de AFM hen bij brief van 20 februari 2014 had gevraagd of er nog meer feiten waren die van belang waren bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Ook heeft de AFM terecht als toezichtsantecedent in aanmerking genomen dat de beoogde beleidsbepalers haar niet uit eigen beweging hebben geïnformeerd over de aan hen opgelegde boetes.

4.5

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de AFM deze toezichtsantecedenten niet mocht meewegen bij haar conclusie over de betrouwbaarheid van de beoogde beleidsbepalers. [naam 2] heeft niet onderbouwd dat de CSSF de opgelegde maatregelen anders weegt dan de AFM. Ook als dit zo zou zijn, dan nog heeft de AFM de bevoegdheid haar eigen conclusies te trekken. De naar gesteld open relatie van [naam 12] met de CSSF kan daarom niet afdoen aan de bevoegdheid van de AFM de toezichtsantecendenten mee te wegen bij haar betrouwbaarheidsoordeel. Anders dan [naam 2] zonder concretisering stelt, baseert de AFM haar oordeel niet op vertrouwelijk gebleven correspondentie tussen haar en de CSSF. [naam 2] heeft kennis kunnen nemen van alle informatie die de AFM bij haar besluitvorming heeft betrokken en aan de vertrouwelijk gebleken informatie kan zij redelijkerwijs geen argumenten ter verdediging ontlenen, zodat haar verdedigingsrechten niet zijn geschonden. Tot slot is [naam 2] , anders dan zij stelt, niet de kans ontnomen nieuwe beleidsbepalers voor te dragen of de aandeelhoudersstructuur anders in te richten. Naar aanleiding van het voornemen van de AFM de aanvraag af te wijzen heeft [naam 2] in haar zienswijze aangekondigd een derde voor te dragen als beleidsbepaler. [naam 2] heeft echter niet de daad bij het woord gevoegd, wat voor haar rekening en risico komt. Ook tijdens de behandeling van het bezwaar heeft de AFM de procedure aangehouden in verband met een herstructureringsvoorstel van [naam 2] . [naam 2] had ook deze gelegenheid kunnen benutten voor het aanmelden van nieuwe beleidsbepalers.

4.6

In het licht van bovenstaande toezichtsantecedenten is de AFM op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de betrouwbaarheid van de beoogde beleidsbepalers niet buiten twijfel staat. De AFM heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de toezichtsantecedenten ernstig zijn, omdat er sprake was van het gedurende een langere periode niet aanleveren van relevante financiële gegevens aan de Luxemburgse toezichthouder. [naam 2] heeft haar verklaring dat er voor het niet-inleveren van de jaarstukken één oorzaak was niet onderbouwd. Bovendien lag aan de boetes ook ten grondslag dat de beoogde beleidsbepalers als bestuurders van [naam 12] de CSSF niet hebben ingelicht over de reden voor het niet inleveren van de stukken. Het aanleveren van jaarstukken is voor een beheerder van een beleggingsinstelling geen verplichting van gering belang, zoals [naam 2] lijkt te betogen. Tijdige en juiste jaarcijfers zijn van belang voor de toezichthouder, de markt en consumenten, omdat op basis daarvan kan worden vastgesteld of wordt voldaan aan prudentiële eisen en de toezichthouder tijdig kan ingrijpen als de verstrekte informatie daartoe aanleiding heeft. Door deze stukken niet te verstrekken zijn de toezichthouder en mogelijk ook de markt en consumenten benadeeld. Verder lag aan de maatregel van de CSSF van 18 september 2012 mede ten grondslag dat de toezichthouder niet was ingelicht over de lancering van een nieuw subfonds. Ook dit is een ernstige omissie. Daarnaast ligt aan deze maatregel ten grondslag dat het fonds niet in bewaring was gegeven bij een bewaarder, hetgeen impliceert dat [naam 12] een andere belangrijke verplichting voor een beheerder van een beleggingsinstelling evenmin is nagekomen. Gelet hierop twijfelt de AFM op goede gronden aan de betrouwbaarheid van de beleidsbepalers van de beheerder van [naam 12] , die ook de beoogde beleidsbepalers zijn van [naam 2] . Alles overziend heeft de AFM bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de belangen van handhaving van de integriteit van de financiële markten, het maatschappelijk vertrouwen in deze markten en het belang van (potentiële) cliënten en andere marktpartijen zwaarder moeten wegen dan de belangen van [naam 2] en de beoogde beleidsbepalers bij het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar.

4.7

De beroepsgrond faalt.

Geschiktheid van de beoogde beleidsbepalers

5. [naam 2] voert aan dat de AFM ten onrechte heeft geconstateerd dat de beoogde beleidsbepalers niet geschikt zijn.

(...)

5.3

De AFM stelt zich op goede gronden op het standpunt dat de beoogde beleidsbepalers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij beschikken over de benodigde competenties voor het zijn van beleidsbepaler van de beheerder van een beleggingsinstelling. De AFM heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de beleidsbepalers haar niet uit eigen beweging hebben geïnformeerd over de door de CSSF opgelegde boetes en maatregel. Deze boetes en maatregel berusten mede op het niet informeren van de CSSF. De AFM heeft hierbij evenzeer mogen betrekken dat door [naam 2] steeds is gesteld dat de ontbrekende financiële gegevens snel zouden worden aangeleverd, terwijl dit ten tijde van het bestreden besluit nog steeds niet was gebeurd. Daardoor hebben [naam 8] , [naam 7] en [naam 6] er geen blijk van gegeven dat zij in staat zijn een realistische inschatting te maken op welke termijn de problemen ten aanzien van het niet kunnen aanleveren van de jaarcijfers opgelost konden zijn. De AFM heeft met juistheid geconstateerd dat zij hiermee niet hebben aangetoond te beschikken over de vereiste competenties ten aanzien van strategische sturing.

5.4

Reeds gelet op het voorgaande kon de AFM tot de conclusie komen dat [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beoogde beleidsbepalers geschikt zijn als beleidsbepaler bij [naam 2] . Zij hebben de CSSF en vervolgens ook de AFM herhaaldelijk niet tijdig of niet juist geïnformeerd. Wat [naam 2] daartegen inbrengt, doet aan deze conclusie niet af. De AFM heeft terecht overwogen dat in het primaire besluit uitgebreid is gereageerd op de zienswijze van [naam 2] over de geschiktheid. [naam 2] heeft niet geconcretiseerd waarom deze reactie onvoldoende is. Daarnaast kon de AFM rekening houden met de positie van de beleidsbepalers bij [naam 12] . Dit betreft immers een groepsentiteit met vergelijkbare werkzaamheden. [naam 2] heeft niet onderbouwd dat de CSSF niet op dezelfde wijze als de AFM zou oordelen over de ernst van de feiten (en waarom dat voor de AFM leidend zou moeten zijn bij haar besluitvorming). Dat [naam 2] naar eer en geweten stukken zou hebben verstrekt, zoals zij zelf stelt, laat onverlet dat zij de AFM niet volledig heeft geïnformeerd over de door de CSSF opgelegde boetes en over andere onderwerpen, zoals de samenstelling van de [naam 11] en de onderlinge relaties daarbinnen. Gelet op de vele keren dat de AFM aanvullende vragen aan [naam 2] heeft gesteld, faalt het betoog dat de AFM [naam 2] (meer) gelegenheid had moeten bieden om zaken aan te vullen of te verbeteren.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing