College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-11-2019, ECLI:NL:CBB:2019:608, 18/2262
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-11-2019, ECLI:NL:CBB:2019:608, 18/2262
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 26 november 2019
- Datum publicatie
- 26 november 2019
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:608
- Zaaknummer
- 18/2262
Inhoudsindicatie
Het door appellante overgelegde rapport biedt onvoldoende inzicht in hoeverre sprake is van causaliteit tussen de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de dreiging voor de continuïteit van het bedrijf alsmede het uiteindelijke staken van het melkveebedrijf van appellante. De overige stukken bieden evenmin een zodanig inzicht. Onder die omstandigheden is het College van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van het bestaan van een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 van het EP.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 18/2262
(gemachtigde: mr. M. van der Kruijt-Bos),
en
(gemachtigde: R. Kuiper).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2018 (primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 6 september 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellante is verschenen in de persoon van [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 4] .
Overwegingen
Relevante bepalingen
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.
Feiten
2. Appellante heeft in 2008/2009 een nieuwe stal gerealiseerd. Op 6 augustus 2013 is aan haar een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor 159 melk- en kalfkoeien en 97 stuks jongvee. Op 9 februari 2016 is deze vergunning gewijzigd. Het toegelaten aantal dieren is thans 143 melk- en kalfkoeien en 97 stuks jongvee. Op het bedrijf waren op 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezig 103 melk- en kalfkoeien en 85 stuks jongvee.
Besluiten van verweerder
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.582 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op de peildatum op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Verweerder heeft het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De beroepsgronden
4. Appellante voert schending van artikel 1 van het EP aan. Er is sprake van een individuele en buitensporige last. De beoogde uitbreiding van de veestapel naar aanvankelijk 159 melk- en kalfkoeien en 97 stuks jongvee en later 143 melk- en kalfkoeien en 97 stuks jongvee, is langzamer verlopen dan gepland als gevolg van het wisselende beloop van de neurologische aandoening waaraan [naam 2] ( [naam 2] ) sinds 2004 lijdt. De bezetting van de stal was daardoor op de peildatum nog lang niet op het gewenste peil. Sinds 2012 is [naam 2] gedeeltelijk arbeidsongeschikt en huurt appellante arbeid van derden in. Appellante heeft een rapport overgelegd van [naam 5] van 22 juli 2019. De conclusie hiervan luidt dat wanneer appellante haar oorspronkelijk plan (bijgesteld naar 140 melk- en kalfkoeien/84 stuks jongvee) had kunnen uitvoeren het mogelijk was geweest met extra vreemde arbeid een sluitende exploitatie te realiseren. Appellante heeft nu echter de melkveehouderij in juli 2018 gestaakt. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de ziekte en arbeidsongeschiktheid van [naam 2] .
Het standpunt van verweerder
5. Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Hij voert aan dat appellante op de peildatum nog niet over de benodigde omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de stal beschikte. Voorts wijst verweerder onder meer op de voorzienbaarheid van productiebeperkende maatregelen en het gegeven dat de veestapel, zeven jaar na het aangaan van de investeringen in de stal, nog niet op het door appellante gewenste niveau was. Ook plaatste verweerder kanttekeningen bij het rapport van [naam 5] .
Beoordeling
Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.
Het College overweegt over het gestelde ter zake het bestaan van een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’) als volgt.
Aan het rapport kan niet die betekenis worden toegekend die appellante eraan hecht. De conclusie van het rapport luidt dat het mogelijk was geweest met de inzet van extra vreemde arbeid een sluitende exploitatie te realiseren wanneer appellante haar oorspronkelijke plan met 140 melk- en kalfkoeien en een jongveebezetting van 60 % had kunnen uitvoeren. Dat een dergelijk scenario (in het rapport: scenario A) reëel is, is evenwel niet aannemelijk geworden. Immers, het scenario gaat uit van de voortduring van de arbeidsongeschiktheid van [naam 2] en van de noodzaak om in verband daarmee extra personeelskosten te maken. Deze arbeidsongeschiktheid was volgens appellante evenwel de (uitsluitende) reden dat in het verleden de beoogde groei niet op de geplande wijze kon worden gerealiseerd. Voorts is niet van doorslaggevend belang dat de alternatieve scenario’s C en B (de situatie met de toegekende fosfaatrechten respectievelijk die waarin de ontbrekende fosfaatrechten worden aangekocht) voor appellante een negatieve uitkomst opleveren. Minstens zo belangrijk voor de vraag naar het causaal verband tussen de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de dreiging voor de continuïteit van het bedrijf is hoe de stand van zaken bij appellante was vóór 2015. Dit klemt te meer nu de financieringsverplichtingen ten behoeve van de investeringen in de nieuwe stal, een melkrobot en melkquotum, al van 2008 dateren en dus reeds gedurende een aanzienlijke reeks van jaren op het bedrijf drukken. Het rapport verschaft hierover echter geen gegevens.
Gelet op het vorenstaande geeft het door appellante overgelegde rapport onvoldoende inzicht in hoeverre sprake is van causaliteit tussen de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de dreiging voor de continuïteit van het bedrijf alsmede het uiteindelijke staken van het melkveebedrijf van appellante. De overige stukken bieden evenmin een zodanig inzicht. Onder die omstandigheden is het College van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van het bestaan van een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 van het EP.
Slotsom
Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
- -
-
verklaart het beroep ongegrond;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.
w.g. I.M. Ludwig w.g. F. Willems