Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-11-2019, ECLI:NL:CBB:2019:610, 18/2320

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-11-2019, ECLI:NL:CBB:2019:610, 18/2320

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26 november 2019
Datum publicatie
26 november 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:610
Zaaknummer
18/2320

Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet

Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling. Zoals het College eerder heeft geoordeeld stuit een uitleg van de knelgevallenregeling zoals appellante voorstaat af op hetgeen omtrent de bedoeling van de wetgever blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling. Bij de knelgevallenregeling wordt teruggekeken naar het verleden. Er wordt een vergelijking gemaakt met de situatie die op 2 juli 2015 in redelijkheid voor een bedrijf mocht worden verwacht en waarvan, als gevolg van de in de bepaling genoemde buitengewone omstandigheden, geen sprake was. Daarbij worden nog niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking genomen. Verweerder is voor de vergelijking dan ook terecht uitgegaan van een alternatieve peildatum in het verleden. Het College stelt voorts vast dat niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op 2 juli 2015 minimaal 5 procent lager moet zijn dan het geval zou zijn geweest zonder de ziekte. Verweerder heeft dan ook op goede gronden afgezien van toepassing van de knelgevallenregeling.

Ongegrond beroep

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 18/2320

(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten),

en

(gemachtigden: C. Zieleman en mr. M. Leegsma).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2018 (het bestreden besluit), waarbij eerdere beslissingen op bezwaar zijn herzien, heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en

geregistreerd.

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt.

Feiten

2. Appellante heeft een melkveehouderij en had op de peildatum, 2 juli 2015, 45 melk- en kalfkoeien en 25 stuks jongvee. Niet in geschil is dat ondernemer [naam 1] – maat van appellante – in april 2015 kampte met rugklachten wat appellante heeft doen besluiten op 19 mei 2015 11 stuks jongvee af te stoten.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.072 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft het beroep van appellante op artikel 23, zesde lid, van de Msw (de knelgevallenregeling) met oog op de ziekte van [naam 1] niet gehonoreerd omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op 2 juli 2015 minimaal 5 procent lager moet zijn dan het geval zou zijn geweest zonder de ziekte.

De beroepsgronden

4. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij toepassing van de knelgevallenregeling ten onrechte de feitelijke bedrijfssituatie op 2 juli 2015 heeft vergeleken met de bedrijfssituatie vóórdat de bijzondere omstandigheid – de ziekte van [naam 1] – zich voordeed. Appellante betoogt dat verweerder bij de vergelijking evenwel dient uit te gaan van de bedrijfssituatie zoals die zou zijn geweest zonder de bijzondere omstandigheid. Er moet, volgens appellante, derhalve niet worden teruggekeken. Dat heeft verweerder ten onrechte wel gedaan door het hanteren van een alternatieve peildatum die in het verleden is gelegen. Appellante vindt voor haar betoog steun in paragraaf 4.5 van de Memorie van Toelichting bij de Msw van de Memorie van Toelichting bij de (Kamerstukken II 2015-2016, 34 532, nr. 3, p. 20).

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de knelgevallenregeling juist heeft toegepast en dat terecht een vergelijking is gemaakt met een alternatieve peildatum in het verleden. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2016-2017, 34 532, nr. 7) blijkt volgens verweerder dat de aard van de knelgevallenvoorziening beperkt is, namelijk slechts gericht op het wegnemen van een deel van de disproportionele last door het knelgeval. Eerdere uitspraken van het College bevestigen deze lezing volgens verweerder.

6. Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (bijvoorbeeld in de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4 en 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232) stuit een uitleg van de knelgevallenregeling zoals appellante voorstaat af op hetgeen omtrent de bedoeling van de wetgever blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling. Bij de knelgevallenregeling wordt teruggekeken naar het verleden. Er wordt een vergelijking gemaakt met de situatie die op 2 juli 2015 in redelijkheid voor een bedrijf mocht worden verwacht en waarvan, als gevolg van de in de bepaling genoemde buitengewone omstandigheden, geen sprake was (zie Kamerstukken II, 2015-2016, 34 532, nr. 3, p. 40 en Kamerstukken II, 2016-2017, 34 532, nr. 7, p. 47). Daarbij worden nog niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking genomen (Kamerstukken II, 2016-2017, 34 532, nr. 7, p. 47). Verweerder is voor de vergelijking dan ook terecht uitgegaan van een alternatieve peildatum in het verleden. Het College stelt voorts vast dat niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op 2 juli 2015 minimaal 5 procent lager moet zijn dan het geval zou zijn geweest zonder de ziekte. Verweerder heeft dan ook op goede gronden afgezien van toepassing van de knelgevallenregeling. De beroepsgrond van appellante slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen