Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-11-2019, ECLI:NL:CBB:2019:613, 18/2340

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-11-2019, ECLI:NL:CBB:2019:613, 18/2340

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
4 november 2019
Datum publicatie
27 november 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:613
Zaaknummer
18/2340

Inhoudsindicatie

Msw. Fosfaatrechten. Verweerder is in beroep gedeeltelijk tegemoetgekomen. Appellante heeft hierdoor aanleiding gezien het beroep in te trekken, onder voorwaarde dat verweerder het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Verweerder moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

zaaknummer: 18/2340

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2019 in de zaak tussen

en

(gemachtigde: mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.753 kg. Op 30 augustus 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, maar die beslissing heeft hij bij besluit van 30 oktober 2019 herzien en tegelijk met herroeping van het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante verhoogd naar 6.781 kg.

Appellante heeft kort voor de zitting haar beroep ingetrokken en verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door haar betaalde griffierecht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing en overwegingen

Het College draagt verweerder op het griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan aan de indiener daarvan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Gelet op het besluit van 30 oktober 2019 ziet het College aanleiding om het door verweerder ondersteunde verzoek van appellante toe te wijzen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. E.D.H. Nanninga