Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 07-01-2020, ECLI:NL:CBB:2020:15, 19/607

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 07-01-2020, ECLI:NL:CBB:2020:15, 19/607

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
7 januari 2020
Datum publicatie
10 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:CBB:2020:15
Zaaknummer
19/607

Inhoudsindicatie

Meststoffenwet. Overtredingen van de verplichtingen om vrachten mest op een juiste wijze te bemonsteren en te verpakken en de monsters in goede staat te bewaren. Niet gebleken dat deze verplichtingen niet van toepassing waren omdat de mest afkomstig zou zijn van een sloopboerderij die niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 19/607

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2019, kenmerk 18/1514, in het geding tussen

appellante

(gemachtigde: mr. H.J. Kram en mr. M. Leegsma).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Voor appellante zijn verschenen diens gemachtigde, alsmede [naam 2] en [naam 3] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 29 juli 2017 hebben drie toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op het bedrijf van appellante een controle op de naleving van de verplichtingen bij of krachtens de Meststoffenwet (Msw) uitgevoerd. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 27 september 2017 (rapport). De conclusie van het rapport is dat appellante de monsterpotten van de mestmonsters van vier vrachten mest, die op 24, 25 en 26 juli 2017 hebben plaatsgevonden, niet door de automatische verpakkingsapparatuur heeft laten afsluiten en dat appellante deze mestmonsters vervolgens tussen de drie en vijf dagen onafgesloten heeft bewaard, omdat de desbetreffende monsterpotten niet met deksels waren afgesloten.

1.3

Bij besluit van 8 december 2017 (primaire besluit) heeft de minister aan appellante voor de in totaal acht geconstateerde overtredingen bestuurlijke boetes opgelegd tot een bedrag van in totaal € 2.400,-.

2. Bij besluit van 14 mei 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het door appellante gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante de artikelen 54, eerste lid, en 80, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Regeling) heeft overtreden. De omstandigheid dat sprake is geweest van afvoer van restanten mest uit een stal van een boerenbedrijf dat werd gesloopt in het kader van een bedrijfsbeëindiging maakt niet dat appellante deze bepalingen niet heeft overtreden. Appellante is gehouden om de vrachten met dierlijke meststoffen op een juiste wijze te bemonsteren en te verpakken en de monsters in goede staat te bewaren. Indien sprake was van een storing in de verpakkingsapparatuur, was appellante gehouden om hiervan melding te maken bij de NVWA. Dit heeft zij echter niet gedaan. Ook had appellante de monsterpotten alsnog handmatig kunnen afsluiten, zodat de mestmonsters in goede staat zouden worden bewaard. De omstandigheid dat de mestpomp steeds vastliep vanwege zand, steen en houtfracties maakt voorts niet dat de overtreding verminderd verwijtbaar is. Van samenloop van de verschillende overtredingen is evenmin sprake, omdat verschillende voorschriften zijn overtreden die elk een ander doel nastreven en waaraan andere feiten ten grondslag liggen. De overtreding van één van die voorschriften levert op zich een grond op voor het opleggen van een boete, ook los van de overtreding van de andere voorschriften. Overtredingen op het gebied van bemonstering worden gezien als ernstige overtredingen. Gelet op de fraudegevoeligheid wordt ook het geopend laten van de mestmonsters gezien als een ernstige overtreding. Om die reden is besloten om voor alle vier de vrachten en monsters een boete op te leggen. De boete voor de overtreding van deze beide voorschriften bedraagt op grond van bijlage M bij de Regeling € 300,- per overtreding. De minister heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden gezien om tot matiging van de boete over te gaan.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de minister vanwege de geconstateerde overtredingen bevoegd was om hiervoor aan appellante boetes op te leggen. Voor het oordeel dat geen boete mocht worden opgelegd vanwege een tussen de brancheorganisatie CUMELA en (de rechtsvoorganger van) de NVWA gemaakte afspraak, die er volgens appellante op neerkomt dat er niet bemonsterd hoeft te worden als er mest wordt afgevoerd van een beëindigd en gesloopt agrarisch bedrijf naar het bedrijf van de mestvervoerder, bestaat geen aanleiding, omdat appellante het bestaan van deze afspraak niet aannemelijk gemaakt. De minister was verder niet gehouden om tot matiging van de boete over te gaan vanwege samenloop van de overtredingen. Van één samenhangend complex van feiten waarvoor ten onrechte meerdere boetes zijn opgelegd, is geen sprake. Appellante heeft twee afzonderlijke voorschriften overtreden die van elkaar te onderscheiden eisen stellen en afzonderlijk van elkaar kunnen worden overtreden. In dit verband heeft de rechtbank van belang geacht dat appellante de mestpotten nog handmatig kunnen afsluiten, waarmee zij overtreding van het niet in goede staat bewaren van de mestmonsters had kunnen voorkomen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing