Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-04-2020, ECLI:NL:CBB:2020:322, 19/491

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-04-2020, ECLI:NL:CBB:2020:322, 19/491

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28 april 2020
Datum publicatie
28 april 2020
ECLI
ECLI:NL:CBB:2020:322
Formele relaties
Zaaknummer
19/491

Inhoudsindicatie

Wet op het financieel toezicht. Hoger beroep. Intrekking vergunning op grond artikel 1:104 lid 1 sub m Wft vanwege het niet voldoen aan verplichting tot betaling van heffingen voor het doorlopend toezicht.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 19/491

(gemachtigde: mr. A.H.H.M. Roelofs),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019, kenmerk ROT 18/2118, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. C.A. Geleijnse).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:1185).

AFM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] , werkzaam bij AFM.

Bij beslissing van 29 oktober 2019 heeft het College het onderzoek heropend en AFM in de gelegenheid gesteld bewijs van verzending en ontvangst van de brief van 1 juni 2017 aan appellant, over te leggen. AFM heeft hierop een overzicht van de zendingsgegevens van bedoelde brief overgelegd. Appellant heeft hierop een reactie ingediend, waarop AFM heeft gereageerd.

Het College heeft vervolgens, na ontvangst van de toestemming van partijen om de zaak zonder nadere zitting af te doen, het onderzoek gesloten.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant beschikte vanaf 2 november 2007 over een vergunning voor het bemiddelen en/of adviseren in financiële producten als bedoeld in artikel 2:75 en/of 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Vanaf de vergunningverleningsdatum is appellant jaarlijks een bijdrage in de kosten voor het doorlopend toezicht (heffing) verschuldigd aan AFM.

1.3

Bij besluit van 14 december 2017 (het primaire besluit; ook aangeduid als: het intrekkingsbesluit) heeft AFM de vergunning van appellant op grond van artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder m, van de Wft ingetrokken en appellant in de gelegenheid gesteld om zijn portefeuille binnen drie maanden af te wikkelen. AFM heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant de aan hem in rekening gebrachte heffingen over de periode 2008 tot en met 2016 voor een substantieel deel niet heeft betaald, ondanks dat AFM appellant herhaaldelijk schriftelijk heeft verzocht om de heffingen te voldoen en via een incassobureau en het starten van een gerechtelijke procedure betaling heeft geprobeerd af te dwingen. Uit de administratie van AFM blijkt dat appellant de facturen (door AFM genummerd) 1 tot en met 3 (heffingen 2008 tot en met 2010) slechts gedeeltelijk en de facturen 4 tot en met 7 (heffingen 2011, 2013, 2014 en 2016) in het geheel niet heeft voldaan. De totale vordering inclusief kosten incassobureau en wettelijke rente bedroeg volgens het intrekkingsbesluit € 8.120,06 (waarvan € 4.919,49 toezichtkosten en € 3.200,57 kosten incassobureau en wettelijke rente).

1.4

Bij besluit van 15 maart 2018, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht (het bestreden besluit), heeft AFM het bezwaar van appellant tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. AFM heeft in het bestreden besluit overwogen dat de vordering van AFM van € 8.120,06 met € 325,06 moet worden gecorrigeerd voor de ten onrechte berekende samengestelde rente. Daarmee komt de vordering uit op € 7.795,-. Sinds het intrekkingsbesluit heeft appellant een bedrag van € 4.919,49 betaald waarbij de laatste betaling dateert van 31 januari 2018. Na aftrek van deze betalingen resteert van de vordering nog € 2.875,51. Dit bedrag moet worden vermeerderd met wettelijke rente. De totale openstaande schuld bedraagt per de datum van het bestreden besluit € 3.026,45. AFM heeft de door appellant in bezwaar aangevoerde gronden verworpen en het intrekkingsbesluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Uit de stukken volgt dat appellant over de periode 2008 tot en met 2016 forse achterstanden heeft laten ontstaan op de door hem verschuldigde heffingen. Aangezien een groot deel van deze niet betaalde heffingen grondslag vindt in de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft), die in werking trad op 1 januari 2013, kwam AFM de bevoegdheid toe om de vergunning van appellant in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft AFM bij de herbeoordeling van het primaire besluit geen acht hoeven slaan op de betalingen die appellant heeft gedaan nadat het primaire besluit was genomen. Het uitgangspunt van een volledige herbeoordeling strekt niet zover dat bij handhavingsbesluiten zoals hier aan de orde het opheffen van de tekortkoming hangende bezwaar afdoet aan de grondslag daarvan en moet leiden tot een herroeping daarvan. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat niet in geschil is dat door appellant tot op heden niet het gehele verschuldigde bedrag is voldaan en dat daar niet aan afdoet dat partijen twisten over de precieze hoogte van het nog verschuldigde bedrag. Volgens de rechtbank blijkt uit de stukken dat AFM bij de aanwending van die bevoegdheid niet over één nacht ijs is gegaan. Zo heeft AFM meermaals uitstel van betaling verleend, heeft zij betalingsregelingen getroffen die appellant niet (volledig) is nagekomen en heeft zij ook diverse pogingen gedaan om tot invordering te komen, tot een succesvolle gang naar de burgerlijke rechter aan toe. Voorts is appellant meerdere keren – laatstelijk bij aangetekende brief van 1 juni 2017 – gemaand heffingen te voldoen, waaronder heffingen die zijn opgelegd op basis van de Wbft. Dat bij appellant een gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat hij volledig aan zijn verplichtingen had voldaan kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank heeft geoordeeld dat AFM daarom niet in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten liggende evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door de vergunning in te trekken.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing