Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-06-2020, ECLI:NL:CBB:2020:404, 18/2642

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-06-2020, ECLI:NL:CBB:2020:404, 18/2642

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16 juni 2020
Datum publicatie
16 juni 2020
ECLI
ECLI:NL:CBB:2020:404
Zaaknummer
18/2642

Inhoudsindicatie

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, Tabaks- en rookwarenwet. In een ruimte, gebouw of inrichting waar een werknemer zijn werkzaamheden verricht of pleegt te verrichten niet of onvoldoende voldaan aan de verplichting tot het instellen en handhaven van een rookverbod. Het door appellant niet-naleven van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, Tabaks- en rookwarenwet heeft de staatssecretaris gebaseerd op het onderzoek van de toezichthouders van NVWA, zoals beschreven in het door een van hen naar waarheid opgemaakte en ondertekende rapport van bevindingen van 23 mei 2017. Het College stelt voorop dat het aan de staatssecretaris is om het bewijs te leveren van de feiten die hij ten grondslag legt aan het boetebesluit. Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een naar waarheid opgemaakt en ondertekend rapport van een toezichthouder, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Het College is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ruimte in zijn bedrijfsgebouw, gezien de (huiselijke) inrichting ervan, had moeten worden aangemerkt als een privéruimte als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, Tabaks- en rookwarenbesluit. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die aanleiding geven aan de juistheid en de volledigheid van de inhoud van het rapport van bevindingen te twijfelen.

Uitspraak

uitspraak

Zaaknummer: 18/2642

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2018, kenmerk ROT 17/6491, in het geding tussen appellant en

(gemachtigde: mr. K. Janssens).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 11 oktober 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:8371).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met dat in zaak 18/2641, plaatsgevonden op

24 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij brief van 8 november 2019 heeft het College meegedeeld dat het onderzoek is heropend en dat het College het geraden acht als getuigen te horen de twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en warenautoriteit (NVWA) over de door hen op het bedrijf van appellant uitgevoerde inspectie en hetgeen zij daarover hebben gerapporteerd.

Op 5 februari 2020 heeft het College deze getuigen gehoord. Appellant, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris zijn ter zitting verschenen.

Naar aanleiding van het uittreksel uit het proces-verbaal van de zitting heeft appellant bij brief van 3 maart 2020 een memorie na enquête ingediend. De staatssecretaris heeft daar bij brief van 2 april 2020 een reactie op gegeven.

Partijen hebben vervolgens aan het College meegedeeld dat zij geen gebruik willen maken van het recht te worden gehoord, waarna het College heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek heeft gesloten.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant heeft een eenmanszaak, genaamd [naam 2] . Hij heeft één werkneemster in dienst.

1.3

Op 8 mei 2017 is door twee toezichthouders van de NVWA een inspectie uitgevoerd op het bedrijf van appellant. Volgens het daarvan opgestelde rapport van bevindingen van 23 mei 2017 heeft appellant, voor zover hier van belang, in een ruimte, gebouw of inrichting waar een werknemer zijn werkzaamheden verricht of pleegt te verrichten niet of onvoldoende voldaan aan de verplichting tot het instellen en handhaven van een rookverbod. In het rapport is opgenomen dat de toezichthouder bij binnenkomst van de ruimte die volgens hem structureel fungeert als kantine de geur rook van tabaksrook en op een van de tafels een asbak zag staan met daarin uitgedrukte peuken en as.

1.4

Naar aanleiding hiervan heeft de staatssecretaris bij besluit van 4 augustus 2017 appellant een boete van € 600,- opgelegd wegens overtreding van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Tabaks- en rookwarenwet.

1.5

Bij besluit van 28 september 2017, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 augustus 2017 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.2

De rechtbank is, samengevat, van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat appellant het rookverbod onvoldoende heeft gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de onderneming van appellant de uitzonderingen van artikel 6.2, eerste lid, van het Tabaks- en rookwarenbesluit op de verplichting van de werkgever tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod niet van toepassing. De als keukentje/kantine ingerichte ruimte was volgens de rechtbank geen privéruimte. Ook kan deze ruimte niet als rookruimte worden aangemerkt, omdat uit het rapport van bevindingen niet blijkt dat dit een afgesloten ruimte in de onderneming is die ook als rookruimte is aangeduid. Gelet hierop en het feit dat appellant een werkneemster in dienst heeft, rust op appellant de verplichting een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven. De waarneming van de geur van tabaksrook in bedoelde ruimte en van een asbak met uitgedrukte peuken en as heeft appellant niet betwist. Dat de werkneemster er geen bezwaar tegen heeft dat in haar aanwezigheid wordt gerookt, doet – gelet op de Memorie van Toelichting bij artikel 10 van de Tabakswet (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 791, nr. 3, blz. 3) – niet ter zake.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing