College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-10-2020, ECLI:NL:CBB:2020:754, 18/2323
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-10-2020, ECLI:NL:CBB:2020:754, 18/2323
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2020
- Datum publicatie
- 27 oktober 2020
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2020:754
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8317, Overig
- Zaaknummer
- 18/2323
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 14 van de Meststoffenwet. Minister mag in beginsel uitgaan van rapport toezichthouder. Geen grond voor twijfel aan juistheid rapport. Forfait voor fosfaat in champost juist? Vertrouwensbeginsel geschonden?
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 18/2323
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 september 2018, kenmerk AWB 17/4051, in het geding tussen
appellante
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken; hierna de minister of de staatssecretaris)
(gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 september 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:8317, hierna ook: de aangevallen uitspraak).
Appellante heeft aanvullende gronden ingediend op 9 en 10 oktober 2019.
Op 22 oktober 2019 heeft het College een regiezitting gehouden, waarbij naast deze zaak ook elf andere zaken aan de orde zijn gesteld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen mr. H.J. Kram.
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020.
Namens appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen [naam 3] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen [naam 4] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
De zaak is gevoegd behandeld met de zaken, geregistreerd onder de zaaknummers 18/2381, 18/2382 en 18/2383. Vervolgens heeft het College de zaken voor het doen van uitspraak gesplitst en bepaald dat heden uitspraak wordt gedaan.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellante exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met het verwerken en afvoeren van agrarische teeltmaterialen en transportactiviteiten.
De NVWA heeft het bedrijf van appellante gecontroleerd op de naleving van de regelgeving ten aanzien van meststoffen. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in een afdoeningsrapport van de NVWA van 17 maart 2014, rapportnummer 73561 (hierna: afdoeningsrapport). Op basis van het afdoeningsrapport heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat appellante in de periode van 8 januari 2013 tot en met 10 april 2013:
1. de registratiegegevens van de intermediaire onderneming van appellante niet volledig heeft doorgegeven;
2. geen inzichtelijke administratie heeft bijgehouden;
3. de vervoersgegevens van 125 vrachten dierlijke meststoffen niet heeft vastgelegd met behulp van Automatische Gegevens Registratie (AGR) en satellietvolgapparatuur (GPS);
4. bij 182 vrachten dierlijke meststoffen geen Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (VDM) heeft opgemaakt;
5. een VDM met betrekking tot leveranciergegevens niet volledig heeft opgemaakt;
6. bij 103 vrachten dierlijke meststoffen niet naar waarheid een VDM heeft opgemaakt;
7. gegevens op meerdere VDM’s heeft gewijzigd;
8. op een VDM ingevulde gegevens na het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen niet naar waarheid heeft ingediend;
9. de gegevens die op meerdere VDM’s zijn ingevuld niet heeft ingediend;
10. bij 31 transporten de export niet heeft medegedeeld;
11. 57 meldingen van export ten onrechte niet heeft ingetrokken;
12. meerdere vrachten dierlijke meststoffen niet heeft gewogen;
13. meerdere vrachten dierlijke meststoffen niet heeft bemonsterd;
14. bescheiden niet gedurende vijf jaren heeft bewaard;
15. artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw) heeft overtreden.
Bij brief van 9 mei 2014 heeft de staatssecretaris appellante medegedeeld voornemens te zijn haar bestuurlijke boetes op te leggen wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013 en wegens meerdere administratieve overtredingen. Appellante heeft op 30 juni 2014 een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 18 februari 2015 heeft de staatssecretaris appellante een (gematigde) boete opgelegd ter hoogte van € 71.915,- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013 en meerdere boetes van in totaal € 25.000,- wegens meerdere administratieve overtredingen in dat jaar. Voor de hoogte van de boete wegens overtreding van artikel 14 van de Msw is uitgegaan van het niet verantwoorden van 6.765 kilogram fosfaat. De staatssecretaris heeft de boete wegens overtreding van artikel 14 van de Msw wegens overschrijding van de beslistermijn met meer dan 26 weken sedert de datum van het afdoeningsrapport van de NVWA gematigd met het maximale bedrag van € 2.500,-. Gelet op het grote aantal overtredingen in een relatief korte periode heeft de staatssecretaris appellante voor de overtredingen 3 tot en met 14 per tien overtredingen (tientallen naar boven afgerond) een boete opgelegd en niet per overtreding afzonderlijk.
Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 november 2017 heeft de minister het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 18 februari 2015 herroepen, het totale boetebedrag verminderd tot € 82.377,75 en € 980,- toegekend als vergoeding van de door appellante in verband met de indiening van het bezwaarschrift gemaakte kosten. De minister heeft het totale boetebedrag wegens de overschrijding van een redelijke beslistermijn van twee jaar tussen de datum van het voornemen (9 mei 2014) en de datum van de beslissing op het bezwaarschrift (1 november 2017) verder gematigd met 15% (5% per half jaar) van € 96.915,-.
Tegen het besluit van 1 november 2017 heeft appellante beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de overtreding door appellante van artikel 14 van de Msw met de onderzoeksgegevens in het afdoeningsrapport en de berekening die de minister op grond daarvan heeft gemaakt is aangetoond en dat de minister bevoegd was appellante daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen. Appellante heeft niet kunnen weerleggen dat zij champost heeft afgevoerd en de daarmee afgevoerde hoeveelheid fosfaat niet heeft verantwoord. Bij het bepalen van de hoogte van de boetes is de minister van een juiste omvang van de overtredingen uitgegaan. Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel verworpen. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 november 2017 ongegrond verklaard.