College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-10-2020, ECLI:NL:CBB:2020:755, 18/2381, 18/2382 en 18/2383
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-10-2020, ECLI:NL:CBB:2020:755, 18/2381, 18/2382 en 18/2383
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2020
- Datum publicatie
- 27 oktober 2020
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2020:755
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8316, Overig
- Zaaknummer
- 18/2381, 18/2382 en 18/2383
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 14 van de Meststoffenwet. Minister mag in beginsel uitgaan van rapport toezichthouder. Geen grond voor twijfel aan juistheid rapport. Forfait voor fosfaat in champost juist? Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel geschonden?
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 18/2381, 18/2382 en 18/2383
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2020 op de hoger beroepen van:
1. [naam 1] B.V.te [plaats 1] , appellante sub 1
2. [naam 2] B.V.,te [plaats 2] , appellante sub 2
3. [naam 3] B.V.te [plaats 3] , appellante sub 3, hierna gezamenlijk appellanten te noemen
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 september 2018, kenmerken AWB 17/4052, 17/4053 en 17/4165, in de gedingen tussen
appellanten
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken; hierna de minister of de staatssecretaris)
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 september 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:8316, hierna ook: de aangevallen uitspraak).
Appellanten hebben aanvullende gronden ingediend op 9 en 10 oktober 2019.
Op 22 oktober 2019 heeft het College een regiezitting gehouden, waarbij naast de drie zaken van appellanten ook negen andere zaken aan de orde zijn gesteld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen mr. H.J. Kram.
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020.
Namens appellanten sub 1 en sub 2 is verschenen [naam 4] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Appellante sub 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de zijde van appellanten is tevens verschenen [naam 5] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van de minister is tevens verschenen [naam 6] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaak, geregistreerd onder zaaknummer 18/2323. Vervolgens heeft het College de zaken voor het doen van uitspraak gesplitst en bepaald dat heden uitspraak wordt gedaan.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellanten exploiteren elk een champignonkwekerij.
18/2381
De NVWA heeft het bedrijf van appellante sub 1 gecontroleerd op de naleving van de regelgeving ten aanzien van meststoffen. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in een afdoeningsrapport van de NVWA van 18 maart 2014, rapportnummer 77090. Op basis van dit rapport heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat appellante sub 1 in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw) heeft overtreden.
Bij brief van 9 mei 2014 heeft de staatssecretaris appellante sub 1 medegedeeld voornemens te zijn haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013. Appellante sub 1 heeft op 14 juli 2014 een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 18 februari 2015 heeft de staatssecretaris appellante sub 1 een (gematigde) boete opgelegd ter hoogte van € 85.533,- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013. Voor de hoogte van de boete is uitgegaan van het niet verantwoorden van 8.003 kilogram fosfaat. De staatssecretaris heeft de boete wegens overschrijding van de beslistermijn met meer dan 26 weken sedert de datum van het afdoeningsrapport van de NVWA gematigd met het maximale bedrag van € 2.500,-.
Tegen dit besluit heeft appellante sub 1 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 november 2017 heeft de minister het bezwaar van appellante sub 1 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 18 februari 2015 herroepen, opnieuw berekend hoeveel kilogram fosfaat appellante sub 1 niet heeft verantwoord, de boete verminderd tot€ 44.447,35 en € 326,67 toegekend als vergoeding van de door appellante sub 1 in verband met de indiening van het bezwaarschrift gemaakte kosten. Voor de hoogte van de boete is uitgegaan van het niet verantwoorden van 4.981 kilogram fosfaat. Dat zou neerkomen op een boete van € 54.791,-. Omdat er geruime tijd zat tussen het opmaken van het boeterapport (18 maart 2014) en het boetebesluit van 18 februari 2015, zou de staatssecretaris in beginsel de boete met 10% en maximaal € 2.500,- matigen tot € 52.291,-. De staatssecretaris heeft het totale boetebedrag wegens de overschrijding van een redelijke beslistermijn van twee jaar tussen de datum van het voornemen (9 mei 2014) en de datum van de beslissing op het bezwaarschrift (1 november 2017) echter verder gematigd met 15% (5% per half jaar) van€ 52.291,- tot € 44.447,35.
Tegen het besluit van 1 november 2017 heeft appellante sub 1 beroep ingesteld.
18/2382
De NVWA heeft het bedrijf van appellante sub 2 gecontroleerd op de naleving van de regelgeving ten aanzien van meststoffen. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in een afdoeningsrapport van de NVWA van 18 maart 2014, rapportnummer 77089. Op basis van dit rapport heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat appellante sub 2 in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 artikel 14 van de Msw heeft overtreden.
Bij brief van 9 mei 2014 heeft de staatssecretaris appellante sub 2 medegedeeld voornemens te zijn haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013. Appellante sub 2 heeft op 14 juli 2014 een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 18 februari 2015 heeft de staatssecretaris appellante sub 2 een (gematigde) boete opgelegd ter hoogte van € 68.846,- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013. Voor de hoogte van de boete is uitgegaan van het niet verantwoorden van 6.486 kilogram fosfaat. De staatssecretaris heeft de boete wegens overschrijding van de beslistermijn met meer dan 26 weken sedert de datum van het afdoeningsrapport van de NVWA gematigd met het maximale bedrag van € 2.500,-.
Tegen dit besluit heeft appellante sub 2 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 november 2017 heeft de minister het bezwaar van appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 18 februari 2015 herroepen, opnieuw berekend hoeveel kilogram fosfaat appellante sub 2 niet heeft verantwoord, de boete verminderd tot€ 38.631,65 en € 326,67 toegekend als vergoeding van de door appellante sub 2 in verband met de indiening van het bezwaarschrift gemaakte kosten. Voor de hoogte van de boete is uitgegaan van het niet verantwoorden van 4.359 kilogram fosfaat. Dat zou neerkomen op een boete van € 47.949,-. Omdat er geruime tijd zat tussen het opmaken van het boeterapport (18 maart 2014) en het boetebesluit van 18 februari 2015, zou de staatssecretaris in beginsel de boete met 10% en maximaal € 2.500,- matigen tot € 45.449,-. De staatssecretaris heeft het totale boetebedrag wegens de overschrijding van een redelijke beslistermijn van twee jaar tussen de datum van het voornemen (9 mei 2014) en de datum van de beslissing op het bezwaarschrift (1 november 2017) echter verder gematigd met 15% (5% per half jaar) van€ 45.449,- tot € 38.631,65.
Tegen het besluit van 1 november 2017 heeft appellante sub 2 beroep ingesteld.
18/2383
De NVWA heeft het bedrijf van appellante sub 3 gecontroleerd op de naleving van de regelgeving ten aanzien van meststoffen. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in een afdoeningsrapport van de NVWA van 1 april 2014, rapportnummer 77996. Op basis van dit rapport heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat appellante sub 3 in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 artikel 14 van de Msw heeft overtreden.
Bij brief van 9 mei 2014 heeft de staatssecretaris appellante sub 3 medegedeeld voornemens te zijn haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013. Appellante sub 3 heeft op 14 juli 2014 een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 18 februari 2015 heeft de staatssecretaris appellante sub 3 een (gematigde) boete opgelegd ter hoogte van € 34.922,- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het kalenderjaar 2013. Voor de hoogte van de boete is uitgegaan van het niet verantwoorden van 3.402 kilogram fosfaat. De staatssecretaris heeft de boete wegens overschrijding van de beslistermijn met meer dan 26 weken sedert de datum van het afdoeningsrapport van de NVWA gematigd met het maximale bedrag van € 2.500,-.
Tegen dit besluit heeft appellante sub 3 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 november 2017 heeft de minister het bezwaar van appellante sub 3 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 18 februari 2015 herroepen, opnieuw berekend hoeveel kilogram fosfaat appellante sub 3 niet heeft verantwoord, de boete verminderd tot € 5.511,82 en € 326,67 toegekend als vergoeding van de door appellante sub 3 in verband met de indiening van het bezwaarschrift gemaakte kosten. Voor de hoogte van de boete is uitgegaan van het niet verantwoorden van 655 kilogram fosfaat. Dat zou neerkomen op een boete van € 7.205,-. Omdat er geruime tijd zat tussen het opmaken van het boeterapport (1 april 2014) en het boetebesluit van 18 februari 2015, zou de staatssecretaris in beginsel de boete met 10% matigen tot € 6.484,50. De staatssecretaris heeft het totale boetebedrag wegens de overschrijding van een redelijke beslistermijn van twee jaar tussen de datum van het voornemen (9 mei 2014) en de datum van de beslissing op het bezwaarschrift (1 november 2017) echter verder gematigd met 15% (5% per half jaar) van € 6.484,50 tot
€ 5.511,82.
Tegen het besluit van 1 november 2017 heeft appellante sub 3 beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de overtredingen door appellanten van artikel 14 van de Msw met de onderzoeksgegevens in de afdoeningsrapporten en de berekeningen die de minister op grond daarvan heeft gemaakt zijn aangetoond en dat de minister bevoegd was appellanten daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen. Appellanten hebben niet kunnen weerleggen dat zij champost hebben afgevoerd en de daarmee afgevoerde fosfaat niet kunnen verantwoorden. Bij het bepalen van de hoogte van de boetes is de minister van een juiste omvang van de overtredingen uitgegaan. Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellanten op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel verworpen. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 1 november 2017 ongegrond verklaard.