Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10-11-2020, ECLI:NL:CBB:2020:805, 18/1501

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10-11-2020, ECLI:NL:CBB:2020:805, 18/1501

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10 november 2020
Datum publicatie
10 november 2020
ECLI
ECLI:NL:CBB:2020:805
Formele relaties
Zaaknummer
18/1501
Relevante informatie
Wet op het financieel toezicht [Tekst geldig vanaf 18-03-2025 tot 28-06-2025]

Inhoudsindicatie

Wet op het financieel toezicht. Hoger beroep. Intrekking vergunning op grond artikel 1:104 lid 1 sub m Wft vanwege het niet voldoen aan verplichting tot betaling van heffingen voor het doorlopend toezicht.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 18/1501

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2020 op het hoger beroep van:

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2018, kenmerk ROT 18/1128, in het geding tussen

appellante

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM)

(gemachtigde: mr. C. de Rond)

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 9 juli 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:5646).

Appellante heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht en verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De griffier van het College heeft appellante bij brief van 3 oktober 2018 medegedeeld dat op basis van de door appellante verstrekte gegevens vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht maar dat de rechter die het beroep behandelt definitief beslist of appellante niet in staat is het griffierecht te betalen.

AFM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Bij brief van 3 oktober 2019 heeft appellante nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van AFM is voorts verschenen [naam 2] , werkzaam bij AFM. Het College heeft na afloop van de behandeling het onderzoek gesloten.

Bij e-mail van 21 oktober 2019 heeft appellante, zoals ter zitting besproken, nadere stukken ter onderbouwing van het beroep op betalingsonmacht overgelegd.

Bij beslissing van 20 november 2019 heeft het College het onderzoek heropend. Het College heeft in deze beslissing geoordeeld dat gelet op de door appellante overgelegde stukken omtrent betalingsonmacht ten aanzien van haarzelf en haar bestuurder en enig aandeelhouder [naam 1] , niet aannemelijk is dat de verplichting tot betaling van griffierecht het in dit geval uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk maakt om gebruik te maken van de rechtsgang die is opengesteld. Het College heeft het beroep van appellante op betalingsonmacht afgewezen en appellante in de gelegenheid gesteld om alsnog het griffierecht te voldoen. Vervolgens heeft appellante het griffierecht betaald.

In reactie op de brief van het College van 23 januari 2020 heeft appellante aan het College meegedeeld dat zij (nader) ter zitting wil worden gehoord. Bij brief van 24 maart 2020 heeft appellante nadere stukken toegezonden. De op 6 april 2020 geplande nadere zitting heeft vanwege de Coronaproblematiek geen doorgang kunnen vinden. Bij brief van 12 augustus 2020 heeft AFM gereageerd op de brief van appellante van 24 maart 2020. Bij brief van 27 augustus 2020 heeft appellante nogmaals nadere stukken toegezonden.

Het nadere onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van AFM is voorts verschenen [naam 2] , werkzaam bij AFM.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellante beschikte sinds 8 januari 2007 over een vergunning voor het bemiddelen en/of adviseren in financiële producten als bedoeld in artikel 2:75 en 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Vanaf de vergunningsverleningsdatum is appellante een bijdrage in de doorlopende toezichtkosten (heffingen) verschuldigd aan AFM.

1.3

Bij besluit van 14 september 2017 (het primaire besluit; ook aangeduid als: het intrekkingsbesluit) heeft AFM de vergunning van appellante op grond van artikel 1:104, eerste lid, aanhef en sub m, van de Wft ingetrokken en appellante in de gelegenheid gesteld om haar portefeuille binnen drie maanden af te wikkelen. AFM heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante de aan haar in rekening gebrachte doorlopende toezichtkosten (heffingen) over de periode 2008 tot en met 2016 voor een totaalbedrag van € 10.886,36 niet heeft betaald, ondanks dat AFM appellante herhaaldelijk schriftelijk heeft verzocht om de heffingen te voldoen en via een incassobureau betaling heeft geprobeerd af te dwingen. AFM heeft in het primaire besluit voorts overwogen dat AFM verschillende betalingsregelingen met appellante heeft afgesproken, maar dat appellante geen van deze afspraken is nagekomen en dat AFM van appellante nog geen enkele betaling heeft ontvangen op de sinds jaren openstaande betalingsverplichtingen aangaande de heffingen.

1.4

Bij besluit van 29 januari 2018, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht (het bestreden besluit), heeft AFM het bezwaar van appellante tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. AFM heeft in het bestreden besluit overwogen dat appellante in bezwaar heeft aangekondigd betaalbewijzen te willen overleggen, maar dat appellante dit niet heeft gedaan en dat appellante haar stelling dat de onderneming door de economische crisis in de financiële problemen is geraakt en dat haar directeur en grootaandeelhouder ziek is, op geen enkele manier heeft onderbouwd.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Uit de stukken in het geding blijkt dat de aan appellante door AFM opgelegde heffingen over de periode 2008 tot en met 2016 voor een totaalbedrag van € 10.886,36 niet zijn voldaan. Voor de stelling van appellante dat de bedragen wel zijn voldaan, ontbreekt ieder bewijs. Een groot deel van deze volgens AFM inmiddels onherroepelijke heffingen ziet op heffingen uit hoofde van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft), die in werking trad op 1 januari 2013. Gelet hierop kwam AFM de bevoegdheid toe om de vergunning in te trekken. De rechtbank heeft voorts overwogen dat uit de stukken blijkt dat AFM bij de aanwending van die bevoegdheid niet over één nacht ijs is gegaan. Zo heeft AFM meermaals uitstel tot betaling verleend, heeft zij betalingsregelingen met appellante getroffen die appellante niet is nagekomen en heeft zij ook diverse pogingen gedaan om tot invordering te komen, tot een gang naar de burgerlijke rechter aan toe. De rechtbank heeft geoordeeld dat AFM daarom niet in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten liggende evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door de vergunning in te trekken.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing