Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-02-2021, ECLI:NL:CBB:2021:169, 19/1513

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-02-2021, ECLI:NL:CBB:2021:169, 19/1513

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23 februari 2021
Datum publicatie
23 februari 2021
ECLI
ECLI:NL:CBB:2021:169
Formele relaties
Zaaknummer
19/1513
Relevante informatie
Pensioenwet [Tekst geldig vanaf 01-03-2025]

Inhoudsindicatie

Pensioenwet artikel 141; Besluit Financieel toetsingskader pensioenfondsen artikel 11 lid 5; Verzoek om ontheffing van het minimum vereist eigen vermogen (MVEV) ten behoeve van (startende) DC-kring voor de MVEV-component overlijdensrisico. DNB heeft in redelijkheid kunnen besluiten om de gevraagde volledige ontheffing niet te verlenen, maar de MVEV-component te maximeren op 1% van de technische voorzieningen. De herverzekering van het overlijdensrisico door appellante noopt niet tot een verdergaande (volledige) ontheffing van de MVEV-component overlijdensrisico. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 19/1513

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2021 op het hoger beroep van:

(gemachtigde: mr. A. ter Horst),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2019, kenmerk ROT 18/5792, in het geding tussen

appellante

(gemachtigde: mr. S.H. Kuiper).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:8148).

DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Appellante en DNB hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de zijde van appellante zijn voorts ter zitting verschenen drs. [naam 2] en [naam 3] . Van de zijde van DNB zijn voorts verschenen drs. [naam 4] , drs. [naam 5] en mr. [naam 6] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellante beschikt over een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van algemeen pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet (Pw). Een dergelijk pensioenfonds houdt een afgescheiden vermogen aan per collectiviteitskring waarbinnen een of meerdere pensioenregelingen worden uitgevoerd. [naam 1] heeft momenteel zeven collectiviteitskringen, waaronder een collectiviteitskring waarin alleen maar beschikbare premieregelingen (Defined Contribution-regelingen) worden uitgevoerd, ook wel DC-kring genoemd.

1.3

Appellante heeft DNB voor deze DC-kring verzocht deels ontheffing te verlenen van het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV) waarover zij op grond van artikel 131 van de Pw, in samenhang met artikel 11 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (Besluit FTK), dient te beschikken. De door appellante verzochte ontheffing strekt ertoe dat het haar bij de berekening van het MVEV voor haar (startende) DC-kring met ingang van 1 januari 2018 wordt toegestaan om het op grond van artikel 131 van de Pw, in samenhang met artikel 11, vijfde lid, van het Besluit FTK, te hanteren verhoudingsgetal voor pensioenregelingen met risicokapitaal bij overlijden te verlagen van 50% naar 0% van de technische voorzieningen.

1.4

Bij besluit van 17 april 2018 (het primaire besluit) heeft DNB het verzoek van appellante toegewezen in die zin dat het appellante voor de periode van 31 december 2017 tot 1 januari 2019 wordt toegestaan om de component overlijdensrisico ex artikel 11, vijfde lid, van het Besluit FTK bij de berekening van het MVEV voor de DC-kring te maximeren op een niveau van 1,0% van de technische voorzieningen. Dat wil zeggen dat, als de uitkomst van de berekening van deze component hoger uitkomt dan 1,0 % van de technische voorzieningen, appellante deze component mag terugbrengen tot 1,0 % van de technische voorzieningen. De component overlijdensrisico mag wel lager zijn dan 1,0 % van de technische voorzieningen, wanneer dit de uitkomst is van de berekening van deze component. Deze ontheffing geldt onder de voorwaarde dat de huidige (her)verzekering van het overlijdensrisico gehandhaafd blijft.

1.5

Bij besluit van 2 oktober 2018 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft DNB het daartegen door [naam 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het primaire besluit aangevuld wat betreft de duur van de verleende ontheffing.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende geoordeeld en overwogen.

2.2

Ook als [naam 1] terecht stelt dat de (her)verzekering zodanig is vormgegeven dat daarin hetzelfde overlijdensrisico wordt afgedekt als het overlijdensrisico dat voor de DC-kring uit het pensioenreglement voortvloeit, kan niet worden gezegd dat geen enkel risico ter zake overlijden overblijft. De (her)verzekeringsovereenkomst kan tussentijds worden aangepast of zelfs worden opgezegd. Zo heeft de (her)verzekeraar het recht de premie en/of voorwaarden voor (her)verzekering van nabestaandenpensioen of daaraan gelijkgestelde uitkeringen tussentijds te wijzigen en kan de (her)verzekeraar ook jaarlijks tarieven aanpassen zonder de mogelijkheid van een formele opzegging. Dat [naam 1] nooit meer zal moeten betalen dan de vooraf overeengekomen jaarpremie staat dan ook niet vast. Verder is de (her)verzekeringsovereenkomst gesloten voor de duur van één kalenderjaar, behoudens stilzwijgende verlenging voor telkens een eenjarige contractperiode, zodat het risico dat na deze periode van één jaar niet is (her)verzekerd niet is uitgesloten.

Het risico dat de (her)verzekering wordt aangepast of opgezegd kan niet, althans niet volledig, worden ondervangen door de verzochte ontheffing te verlenen onder de ontbindende voorwaarde dat de huidige (her)verzekering van het overlijdensrisico wordt gehandhaafd. In het geval dat deze ontbindende voorwaarde zich voordoet bij de verzochte ontheffing, is er anders dan bij de wel verleende ontheffing, in het geheel geen buffer om dit op te vangen. Ook valt een wijzing van de (her)verzekering met terugwerkende kracht niet uit te sluiten, waardoor achteraf blijkt dat er onvoldoende MVEV beschikbaar is.

De rechtbank heeft [naam 1] niet gevolgd in haar betoog dat DNB de ontheffing had moeten verlenen voor onbeperkte duur, althans voor de duur dat het overlijdensrisico is (her)verzekerd. Dat potentiële nieuwe toetreders en aanspraak- en pensioengerechtigden belang hebben bij duidelijkheid en zekerheid over de financiële opzet voor de lange termijn, laat onverlet dat sprake is van een startende DC-kring, waarvoor de uitkomst van de berekening van het MVEV van jaar tot jaar zal verschillen. Gelet hierop heeft DNB in redelijkheid kunnen besluiten aan de verleende ontheffing een termijn van één jaar te verbinden, zodat zij de situatie van de DC-kring elk jaar opnieuw kan beoordelen om te kijken of de verleende ontheffing nog passend is voor de situatie op dat moment en of überhaupt een ontheffing nog nodig is.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing