Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-01-2021, ECLI:NL:CBB:2021:28, 19/1811

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-01-2021, ECLI:NL:CBB:2021:28, 19/1811

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12 januari 2021
Datum publicatie
12 januari 2021
ECLI
ECLI:NL:CBB:2021:28
Formele relaties
Zaaknummer
19/1811
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

artikel 15, eerste lid, 34, eerste lid, en 51 van de Meststoffenwet;

artikel 57b en 130 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Boetes opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet.

Nu sprake was van het opleggen van een boete per overtreding van minder dan € 340,- behoefde geen rapport te worden opgemaakt en behoefde appellante niet in de gelegenheid te worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Er is geen rechtsregel aan te wijzen die de minister ertoe verplicht het verslag van de hoorzitting uiterlijk tegelijk met het bestreden besluit toe te zenden aan degene die een bezwaarschrift heeft ingediend. Afgezien van het bepaalde in de artikelen 5:49, 6:17 en 7:4 van de Awb geldt voor het bestuursorgaan dat een bestuurlijke boete oplegt geen verplichting het dossier (binnen een bepaalde termijn) ter beschikking te stellen aan (de gemachtigde van) de overtreder.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 19/1811

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 juli 2019, kenmerk AWB 18/2103, in het geding tussen

appellante

(gemachtigden: mr. H.J. Kram en mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 juli 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2019:2442, hierna: de aangevallen uitspraak).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020. Voor appellante is verschenen haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1.1

Appellante is een erkend intermediair en transportbedrijf dat onder andere dierlijke meststoffen naar het buitenland exporteert. Om na te gaan of appellante de wet- en regelgeving op het terrein van meststoffen naleeft, heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland namens de minister een controle uitgevoerd. Daartoe zijn de door appellante gedane exportmeldingen in het systeem Client Mest Export (CME) en de ontvangen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) over de periode 1 mei tot en met 31 mei 2017 beoordeeld.

1.2

Bij besluit van 17 november 2017 heeft de minister aan appellante een boete opgelegd van in totaal € 400,- wegens het niet tijdig, niet volledig of niet naar waarheid melden van de geëxporteerde vrachten dierlijke mest of het niet tijdig intrekken van meldingen in de periode van 1 mei tot en met 31 mei 2017. Bij het besluit is het “overzicht geconstateerde tekortkomingen voorafmelding in CME” gevoegd.

1.3

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 november 2017. De minister heeft bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2018 het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De opgelegde boetes betreffen het twee maal niet (onverwijld) intrekken van de mededeling door de vervoerder (appellante) bij het niet plaatsvinden van de gemelde export van meststoffen in mei 2017 (feitcode M491). In totaal zijn 168 transporten mest niet correct ingediend bij de minister. De minister heeft appellante voor twee overtredingen in de meest voorkomende categorie een boete opgelegd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als volgt geoordeeld. De beroepsgrond dat de minister heeft gehandeld in strijd met de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doordat er in de voorfase niet is gehoord, faalt. Artikel 4:7 van de Awb is niet van toepassing omdat het hier geen beschikking op aanvraag betreft. Artikel 4:8 van de Awb is ook niet van toepassing omdat de beschikking steunt op gegevens die appellante zelf heeft verstrekt. Het op een later moment dan bij de toezending van het bestreden besluit toezenden van het verslag van een hoorzitting en het pas na maanden door appellante ontvangen van de dossierstukken van de minister is niet in strijd met enige rechtsregel. Voorts kan de rechtbank niet volgen dat appellante door een en ander in haar rechtspositie is geschaad. De overtredingen zijn in de beslissing op bezwaar voldoende bepaald en specifiek. Appellante heeft niet onderbouwd dat deze overtredingen zich niet hebben voorgedaan. De beperkingen die appellante ondervindt door de verplichte melding vooraf van export van mest zijn gesteld in het algemeen belang en gelden voor alle vervoerders/exporteurs. De redelijke termijn van twee jaar is niet overschreden nu deze termijn is aangevangen met het primaire besluit van 17 november 2017 en uitspraak wordt gedaan op 16 juli 2019. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing