Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-01-2021, ECLI:NL:CBB:2021:29, 19/1406

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-01-2021, ECLI:NL:CBB:2021:29, 19/1406

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12 januari 2021
Datum publicatie
12 januari 2021
ECLI
ECLI:NL:CBB:2021:29
Formele relaties
Zaaknummer
19/1406
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, 15, eerste lid, en 51 van de Meststoffenwet;

artikel 1, eerste lid, aanhef en onder s en v, en 53, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

artikel 55, 76 en 78 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Boete wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw).

Van intern transport van de mest binnen het bedrijf van appellante was geen sprake. Appellantes betoog over dubbele beboeting volgt het College niet. Er is geen rechtsregel aan te wijzen die de minister ertoe verplicht het verslag van de hoorzitting uiterlijk tegelijk met het bestreden besluit toe te zenden aan degene die een bezwaarschrift heeft ingediend. Er is geen grond voor matiging van de boete. De redelijke termijn is begonnen op 8 februari 2017 nu de toezichthouder appellante op die datum tijdens een verhoor heeft medegedeeld dat een boeterapport opgemaakt zou gaan worden.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 19/1406

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 juli 2019, kenmerk AWB 19/117, in het geding tussen

appellante

(gemachtigden: mr. H.J. Kram en mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 juli 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2019:2438, hierna ook: de aangevallen uitspraak).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1.1

Appellante is een erkend intermediair en transporteur van dierlijke meststoffen. Op

1 maart 2017 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een rapport van bevindingen opgemaakt over het transport naar en het lossen van dierlijke meststoffen door appellante in een mestbassin van [naam 2] B.V. (hierna: [naam 2] ) te [plaats 2] . Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd. De aangevallen uitspraak vermeldt hierover onder meer het volgende:

“1. In het rapport van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) van 1 maart 2017 is naar aanleiding van onderzoek naar transport en lozen van dierlijke meststoffen door eiseres - onder meer - aangegeven dat op 15 september 2016 toezichthouders van verweerder op heterdaad hebben geconstateerd dat twee vrachtwagencombinaties van de [naam 1] B.V. uit [plaats 1] dierlijke meststoffen losten in een mestbassin aan het [adres 1] te [plaats 3] . Dit mestbassin was in gebruik door [naam 2] B.V. Vervolgens is aangegeven dat uit onderzoek is gebleken dat de mest afkomstig was van het voormalige varkensbedrijf van [naam 3] V.O.F. te [plaats 4] . Dit bedrijf is in maart 2016 vanwege financiële omstandigheden opgeheven en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het bedrijf is op basis van een voorlopig koopcontract in mei 2016 gekocht door [naam 4] . Bij de koop was inbegrepen de op 12 mei 2016 aanwezige voorraad mest. De juridische overdracht heeft op 19 oktober 2016 plaatsgevonden. Uit onderzoek is gebleken, aldus het rapport, dat in ieder geval 13 vrachten mest afkomstig van [naam 3] V.O.F. werden afgeleverd en uitgereden op het bedrijf van [naam 2] B.V. Voor deze lozing konden geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) worden getoond. Daarnaast is aangegeven dat vanuit het mestbassin met twee tractors met mesttank mest uitgereden werd op een achter het mestbassin gelegen perceel land dat in gebruik was bij [naam 2] B.V. Tenslotte wordt aangegeven dat door het Waterschap Vechtstromen en de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe in augustus 2016 werd geconstateerd dat de mestputten van [naam 3] V.O.F. dreigden over te stromen waardoor gevaar ontstond voor verontreiniging van oppervlaktewater. [naam 4] heeft aangegeven dat dit aanleiding voor hem is geweest om (tijdelijk) mest te laten afvoeren naar een mestbassin in [plaats 3] . Dit mestbassin zou, volgens [naam 4] , door [naam 3] V.O.F. gehuurd zijn van [naam 2] B.V. [naam 5] , voormalig eigenaar van [naam 3] V.O.F. bleek, nadat hij is geconfronteerd met dit huurcontract, hiervan niet op de hoogte te zijn. Tijdens het onderzoek kwam bij [naam 5] een door de [naam 1] B.V. aan [naam 3] V.O.F. in oktober 2016 verzonden factuur aan het licht. Gelet op de verklaring van [naam 5] was deze factuur onjuist opgemaakt. In het rapport wordt de conclusie getrokken dat kennelijk het getoonde huurcontract en de factuur opgemaakt waren met als doel de onderhavige mestafvoer als intern transport te laten aanmerken. Uit onderzoek is gebleken dat hiervan geen sprake kan zijn, omdat de mest direct werd uitgereden op grond die in gebruik was bij [naam 2] B.V.

2. Op 14 juni 2017 heeft verweerder eiseres bericht voornemens te zijn een boete op te leggen omdat eiseres als intermediaire onderneming dierlijke meststoffen heeft vervoerd. Bij het vervoer van dertien vrachten dierlijke meststoffen heeft eiseres de vervoersgegevens niet vastgelegd. Verweerder is voornemens per vracht waarbij deze overtreding van toepassing is een boete op te leggen van € 300,-. De totale voorgenomen boete voor deze overtredingen bedraagt € 3.900,- (foutcode [lees: feitcode, College] M259).

Bij het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen moet een Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen worden opgemaakt (VDM). Eiseres heeft dit als vervoerder bij dertien vrachten dierlijke meststoffen niet gedaan. Hierbij heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn om voor elke vracht waarbij geen vervoersbewijs is opgemaakt een boete van € 300,-- op te leggen. De totale voorgenomen boete voor deze overtredingen bedraagt € 3.900,- (foutcode M300).

Eiseres heeft niet het gewicht van de vracht dierlijke mest met een weegwerktuig bepaald bij dertien vrachten dierlijke meststoffen. Verweerder is voornemens per vracht waarbij deze overtreding van toepassing is een boete op te leggen van € 300,-. De totale voorgenomen boete voor deze overtredingen bedraagt € 3.900,- (foutcode M500).

Tijdens het laden van het transportmiddel moet de vracht drijfmest automatisch worden bemonsterd. Eiseres heeft dit bij dertien vrachten dierlijke meststoffen nagelaten. Verweerder is voornemens per vracht waarbij deze overtreding van toepassing is een boete op te leggen van € 300,-. De totale voorgenomen boete voor deze overtredingen bedraagt € 3.900,- (foutcode M505).

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van in totaal

€ 14.040 wegens overtredingen van de Msw wegens overtredingen van de , conform het voornemen van 14 juni 2017. Verweerder heeft het totale boetebedrag van € 15.600 gematigd met € 1560,- omdat tussen de dagtekening van het NVMA rapport en de oplegging van de boete meer dan 26 weken zijn verstreken.”

1.2

In de beslissing op bezwaar van 14 december 2018 heeft de minister, voor zover hier van belang, uiteengezet dat uit het NVWA-onderzoek is gebleken dat daadwerkelijk meststoffen van [naam 3] V.O.F. naar [naam 2] zijn vervoerd door appellante, dat van intern transport geen sprake is geweest en dat een opdracht van Waterschap Vechtstromen en de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe om de mest af te voeren niet aan appellante was gericht zodat zij niet verplicht was mee te werken aan de afvoer van de mest. De minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, kort samengevat, als volgt geoordeeld. Het op een later moment dan bij de toezending van het bestreden besluit toezenden van het verslag van een hoorzitting is niet in strijd met enige rechtsregel. Niet in geschil is dat appellante de vrachten mest heeft vervoerd van het mestbassin van het perceel de [adres 2] te [plaats 4] naar en gelost in het mestbassin aan de [adres 1] te [plaats 3] . Appellante heeft niet voldoende onderbouwd dat sprake was van een dermate spoedeisend belang dan wel noodsituatie dat ten opzichte van de vrachten mest niet kon worden voldaan aan de wettelijke voorschriften. Daarnaast blijkt niet dat de opdracht van het Waterschap Vechtstromen inzake vervoer van mest uit de mestputten aan appellante was gericht. Van het intern transporteren van meststoffen binnen het bedrijf van de [naam 1] of binnen het bedrijf van [naam 3] V.O.F. is geen sprake. Ook van dubbele beboeting is geen sprake. Appellante heeft de door haar verlangde matiging van de boete met minimaal 30% niet onderbouwd. De minister heeft de boete in overeenstemming met zijn interne gedragsregel gematigd met 10% wegens overschrijding van de beslistermijn met meer dan 26 weken. De met het voornemen tot boeteoplegging van 14 juni 2017 aangevangen redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is ten tijde van de uitspraak van de rechtbank overschreden met ruim een maand, zodat de boete dient te worden gematigd met 5%. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2018 vernietigd, de boete vastgesteld op € 13.338,- en bepaald dat ten aanzien van de vaststelling van de boete de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 14 december 2018. Ook heeft de rechtbank de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing