College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-03-2021, ECLI:NL:CBB:2021:324, 19/1195
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-03-2021, ECLI:NL:CBB:2021:324, 19/1195
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 23 maart 2021
- Datum publicatie
- 23 maart 2021
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2021:324
- Zaaknummer
- 19/1195
- Relevante informatie
- Wet dieren [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]
Inhoudsindicatie
Hoger beroep. Boete. Voetzoollaesies bij vleeskuikens. Artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is niet in strijd met het lex certa-beginsel. Geen passende maatregelen genomen ter verbetering van het dierenwelzijn na waarschuwingen.
Wetsbepaling:
artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren
Artikel 6.5 en 6.6 van de Regeling houders van dieren
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 19/1195
Maatschap [naam 1], [naam 2] en [naam 3], te [plaats 1] , appellante (gemachtigde: mr. K.M. Weinans),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2019, kenmerk ROT 18/5634,
in het geding tussen
appellante
en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister)
(gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 25 juni 2019 (aangevallen uitspraak) (niet gepubliceerd).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Namens appellante is verschenen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Bij (afzonderlijke) brieven van 3 oktober 2017 heeft de minister aan appellante een waarschuwing gestuurd. Deze waarschuwingen hebben betrekking op een post mortem uitgevoerde keuring (PM-keuring) bij een slachthuis in [plaats 2] op respectievelijk 7 augustus 2017 en 25 september 2017 bij een koppel aangevoerde vleeskuikens, afkomstig uit stal 4 van appellante. In de waarschuwingen is vermeld dat een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij deze koppels vleeskuikens verschillende (fysieke) afwijkingen heeft geconstateerd, die wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden op het bedrijf van appellante. Bovendien is hierbij aangegeven dat passende maatregelen genomen moeten worden ter verbetering van het dierenwelzijn.
Op 28 februari 2018 heeft een toezichthouder van de NVWA (wederom) een inspectie verricht bij het slachthuis in [plaats 2] bij een koppel vleeskuikens, afkomstig uit stal 4 van appellante. De bevindingen van deze inspectie zijn door de toezichthouder neergelegd in het rapport van bevindingen van 2 maart 2018 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Tijdens mijn inspectie op bovenstaand slachthuis heb ik het volgende koppel vleeskuikens (hierna te noemen ‘het koppel’) beoordeeld:
KIP nummer : (...)
Aantal aangevoerde vleeskuikens : 11823
Koppelnummer : (...)
Stalnummer(s) : 4
Slachtdatum : 28-02-2018
De resultaten van de keuring van het koppel wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden in deze stal.
Op grond van artikel 2.53 Besluit houders van dieren, verstrekt de inspecteur verbonden aan de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) de gegevens van deze post mortem (PM) keuring aan de houder. De houder moet naar aanleiding hiervan passende maatregelen te nemen ter verbetering van de omstandigheden op het bedrijf, zodat het dierenwelzijn verbetert.
Bevindingen
Ik, inspecteur werkzaam bij de NVWA, stelde aan de hand van de resultaten van de PM keuring vast dat het koppel grote fysieke afwijkingen vertoonde die nadelig waren voor
het welzijn van deze dieren.
- Ik zag vleeskuikens met ernstige voetzoollaesies aan de poten. De door mij vastgestelde voetzoollaesiesscore was 184 punten.
Voetzoollaesies zijn een aantasting van de opperhuid van de voetzool van vleeskuikens. Wanneer de huid tot in de diepere lagen wordt aangetast worden de laesies pijnlijk voor het dier. Hierdoor wordt het welzijn aangetast. De hoeveelheid en de ernst van de voetzoollaesies worden bepaald door middel van een puntenscore. Hoe hoger de score hoe meer kuikens in
het koppel een ernstige vorm van voetzoollaesies hadden. De wettelijke norm betreffende
de maximaal acceptabele score is 80 punten, de maximaal haalbare score is 200 punten.
Ik, dierenarts werkzaam bij de NVWA, zag en stelde bij de keuring vast dat de vleeskuikens fysieke afwijkingen vertoonden die kunnen wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden op het bedrijf van oorsprong. De houder moet passende maatregelen nemen om het dierenwelzijn te verbeteren.
(...)
De houder is door eerder gestuurde schriftelijke waarschuwingen d.d. 3 oktober 2017 (slachtdatum respectievelijk 7 augustus en 25 september 2017, bijgevoegd) gewezen op
het feit dat passende maatregelen genomen moeten worden. Dit om de omstandigheden in de stal 4 aan te passen zodat het welzijn van de vleeskuikens wordt verbeterd.
Deze waarschuwing is opgesteld aan de hand van de resultaten van de destijds uitgevoerde post mortem (PM) keuring bij een koppel vleeskuikens uit de betreffende stal. De resultaten van deze PM keuring wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden in deze stal.
De resultaten van de PM keuring van het huidige koppel wijzen wederom op slechte dierenwelzijnsomstandigheden in deze stal. Hieruit volgt dat de houder geen passende maatregelen heeft genomen. (...)”
Naar aanleiding van de bevindingen zoals omschreven in het rapport van bevindingen heeft de minister bij besluit van 11 mei 2018 (het primaire besluit) aan appellante een boete opgelegd van € 1.500,- vanwege overtreding van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren (Besluit).
Bij besluit van 25 september 2018 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.