College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-03-2022, ECLI:NL:CBB:2022:106, 20/1062
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-03-2022, ECLI:NL:CBB:2022:106, 20/1062
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 8 maart 2022
- Datum publicatie
- 8 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2022:106
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:9751, Overig
- Zaaknummer
- 20/1062
Inhoudsindicatie
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Hoger beroep. Monitoringsverplichting, verscherpt cliëntenonderzoek en melden ongebruikelijke transactie. Anders dan de rechtbank is het College van oordeel dat het enkele feit dat zicht bestond op de inkomstenstromen en dat geen reden bestond om te twijfelen aan de legale herkomst van deze gelden, op zichzelf onvoldoende is om daaraan de conclusie te verbinden dat geen sprake kan zijn van overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, artikel 8, eerste lid of artikel 16, eerste lid, van de Wwft. BFT heeft terecht aangevoerd dat er nog steeds voldoende aanwijzingen kunnen zijn dat sprake is van een hoger risico op witwassen en van ongebruikelijke transacties.
Uitspraak
uitspraak
Zaaknummer: 20/1062
(gemachtigde: mr. B.A. Schimmel),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 oktober 2020, kenmerk ROT 19/5551, in het geding tussen
BFT
en
(gemachtigde: mr. P.J. Draijer).
Procesverloop in hoger beroep
BFT heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 21 oktober 2020 (ECLI:RBROT:2020:9751).
[naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor BFT is verder verschenen [naam 2] RA.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
[naam 1] is een accountants- en belastingadvieskantoor. Zij verzorgt sinds de oprichting de jaarrekeningen en belastingaangiften van [naam 3] B.V. ( [naam 3] ). [naam 3] is opgericht op 8 april 2010 en voerde sindsdien een zorgbureau. Voordien voerde [naam 4] ( [naam 4] ) dat zorgbureau als eenmanszaak. [naam 4] was sinds 2008 klant van [naam 1] . De aandelen van [naam 3] zijn in handen van [naam 5] B.V. (de Holding), die is opgericht op 30 mei 2012. [naam 4] is directeur en enig aandeelhouder van de Holding.
[naam 4] heeft ten behoeve van [naam 3] op haar naam geïnvesteerd in onroerende zaken in Turkije en daartoe geld onttrokken aan [naam 3] . Op de balans is deze investering geboekt als rekening-courant vordering op [naam 4] , ultimo 2011van € 432.000,-. In de jaarrekening 2013 van de Holding is toegelicht dat de investering op naam van [naam 4] staat, omdat in Turkije het verkregen eigendomsrecht niet op naam van een buitenlandse vennootschap geregistreerd kan worden.
In de jaren 2013 tot en met 2016 zijn bij [naam 3] bedragen contant opgenomen (in 2013 ruim € 110.000,-, in 2014 meer dan € 100.000,-, in 2015 bijna € 78.000,- en in 2016 bijna
€ 19.000,-). Deze opnames zijn in rekening-courant met de Holding geboekt en vervolgens in rekening-courant met [naam 4] verrekend.
Berichten in de media over fraude door [naam 3] waren voor BFT de aanleiding voor onderzoek bij [naam 1] naar de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Volgens BFT heeft [naam 1] in het dossier van [naam 3] niet voldaan aan de monitoringsverplichting van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en had zij verscherpt cliëntenonderzoek moeten instellen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wwft. Ook heeft [naam 1] verzuimd ongebruikelijke transacties overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van de Wwft (tijdig) te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid. Dit laatstgenoemde artikel heeft [naam 1] volgens het BFT ook in het dossier van de Holding overtreden.
Bij besluit van 18 januari 2019 (het boetebesluit) heeft BFT – voor zover van belang – aan [naam 1] een bestuurlijke boete van € 6.000,- opgelegd wegens deze overtredingen. Bij zijn besluit van 18 september 2019 (het bestreden besluit) heeft BFT de boete, onder gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar van [naam 1] , gehandhaafd.
Bij besluit van 26 november 2019 (het wijzigingsbesluit) heeft het BFT het bestreden besluit met herhaling van alle overwegingen uit dat besluit die niet op de boetehoogte zien, vervangen en de aan [naam 1] opgelegde boete verlaagd naar € 4.750,-.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft, voor zover van belang, het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond verklaard en het boetebesluit herroepen. Daartoe heeft zij overwogen:
“ [naam 1] heeft onweersproken naar voren gebracht dat zij - aan de hand van onder meer de indicatiebesluiten van de zorgcliënten, de door hen getekende werkbriefjes voor de ontvangen zorg en de uitgeschreven en betaalde facturen (...) - concreet zicht had op alle inkomende geldstromen bij het zorgbureau en dat deze volledig zijn verantwoord in de administratie. Het BFT heeft niets naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [naam 1] op de hoogte was of behoorde te zijn van geldstromen die, naar zij in redelijkheid behoorde te vermoeden, uit andere bronnen dan de reguliere praktijk van het zorgbureau kwamen of binnen die reguliere praktijk afkomstig waren uit misdrijf (...). Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat [naam 1] ook maar enige reden had te twijfelen aan de legale herkomst van de gelden die contant zijn opgenomen en de gelden die zijn geïnvesteerd in onroerend goed in Turkije. Dat deze transacties en de daaruit voortvloeiende rekening-courantvordering wellicht niet passen in de normale bedrijfsvoering van een zorgbureau en in dat opzicht dus (...) ongebruikelijk zijn, biedt zonder ook maar enige reden voor twijfel aan de legale herkomst van de gelden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor het standpunt van het BFT dat [naam 1] een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen (en dus onvoldoende invulling heeft gegeven aan de monitoringsverplichting), een verscherpt cliëntenonderzoek had moeten verrichten en aanleiding had om te veronderstellen dat de deze transacties verband konden houden met witwassen.”