Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-04-2022, ECLI:NL:CBB:2022:187, 20/426 en 20/427

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-04-2022, ECLI:NL:CBB:2022:187, 20/426 en 20/427

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26 april 2022
Datum publicatie
26 april 2022
ECLI
ECLI:NL:CBB:2022:187
Zaaknummer
20/426 en 20/427
Relevante informatie
Wet dieren [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]

Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang en kostenbesluit. Vermelding in rapport van bevindingen van mondeling gegeven nieuwe begunstigingstermijn. Vraag of daarmee wordt voldaan aan eis van schriftelijke beslissing in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Vraag of verweerder de kosten van bestuursdwang aan appellant in rekening kan brengen voor zover deze betrekking hebben op twee niet gebruikte vrachtwagens en een vrachtwagen met dranghekken. Vraag of verweerder de kosten van bestuursdwang redelijkerwijs op appellant mocht verhalen nu verweerder uitvoering heeft gegeven aan de last terwijl later op dezelfde dag de door appellant ingestelde voorlopige voorziening op zitting zou worden behandeld.

Artikelen 5:25, 8:72 en 8:88 van de Awb.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 20/426 en 20/427

(gemachtigde: mr. L.M. van den Ende),

en

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs),

en

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren.

Bij besluit van 27 augustus 2018 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de bestuursdwang vastgesteld op € 11.496,32.

Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 april 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellant gericht tegen het kostenbesluit gegrond verklaard en het kostenbesluit herroepen in die zin dat de kosten van de bestuursdwang worden vastgesteld op € 7.928,75.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit I is geregistreerd onder zaaknummer 20/426 en het beroep tegen het bestreden besluit II onder zaaknummer 20/427.

Verweerder heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van appellant is tevens verschenen zijn zoon, [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant is veehouder. Op 10 januari 2018 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in aanwezigheid van onder anderen een dierenarts van de NVWA een controle verricht op het bedrijf van appellant. De toezichthouder heeft de bevindingen van deze controle neergelegd in het rapport van bevindingen van 1 februari 2018 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:

“(...)De aanleiding van de controle waren 3 e-mail berichten van de Milieudienst IJmond (...), een e-mail verstuurd op 26 september 2017, een e-mail verstuurd op 31 oktober 2017 en een e-mail verstuurd op 07 november 2017: runderen worden gehouden op en rondom het voer en tussen de troep.

(...)

Locatie (...) te [plaats 1]

Schapen, B op het overzicht:

Schapen (rammen), C op het overzicht:

Locatie (...) [plaats 2]

Beslissing