College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-09-2022, ECLI:NL:CBB:2022:612, 20/796
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-09-2022, ECLI:NL:CBB:2022:612, 20/796
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 13 september 2022
- Datum publicatie
- 13 september 2022
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2022:612
- Zaaknummer
- 20/796
- Relevante informatie
- Wet tuchtrechtspraak accountants [Tekst geldig vanaf 01-07-2023]
Inhoudsindicatie
Appellant heeft als accountant goedkeurende controleverklaringen afgegeven bij de jaarrekeningen van een aantal - later failliet verklaarde - vennootschappen (investeringsfondsen). Bij aanvang van de controle heeft appellant door de onderneming een herstelplan laten opstellen vanwege zorgen over de continuïteit van het concern. Dit herstelplan is betrokken bij de controle van de jaarrekeningen.
Driejaarstermijn. Geen aanknopingspunten dat de curatoren vóór 1 januari 2016 hebben geconstateerd of redelijkerwijs hebben kunnen constateren dat het handelen of nalaten van appellant (mogelijk) in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. De klacht is daarom niet verjaard.
Appellant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. Dit klemt te meer nu de financiële belangen van derden groot waren. Appellant had zich aanzienlijk kritischer moeten opstellen.
Het College acht - evenals de accountantskamer - de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in de registers voor de duur van één maand passend en geboden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 20/796
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2022 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. J.F. Garvelink),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 juli 2020, gegeven op een klacht tegen appellant, ingediend op 1 februari 2019 door [naam 2] en [naam 3], in hun hoedanigheid van curatoren in de faillissementen van:
a. [naam 4] B.V.;
b. [naam 5] B.V.;
c. [naam 6] B.V.;
d. [naam 7] B.V.;
e. [naam 8] B.V.;
f. [naam 9] B.V.;
g. [naam 10] B.V.;
h. [naam 11] B.V.;
i. [naam 12] B.V.;
j. [naam 13] B.V.;
k. [naam 14] B.V.;
l. [naam 15] B.V.;
m. [naam 16] B.V.;
n. [naam 17] B.V. en
o. [naam 18] B.V.,
(gemachtigde curatoren: mr. P.J. Passenier)
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
27 juli 2020, met nummer 19/305 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2020:49)
De curatoren hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
De curatoren zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.
Appellant is sinds 18 september 1996 als registeraccountant ingeschreven in het register van (thans) de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (Nba) en is werkzaam bij [naam 19] te [plaats 1] .
Op 7 januari 2013 heeft appellant de opdracht bevestigd om de jaarrekeningen 2011 te controleren voor de volgende vennootschappen:
- [naam 4] ;
- [naam 5] ;
- [naam 6] B.V. ( [naam 6] );
- [naam 8] B.V. ( [naam 8] );
- [naam 9] B.V. ( [naam 9] ).
Op 17 januari 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [naam 20] en [naam 21] , namens de [naam 7] -groep, en [naam 22] RA ( [naam 22] ) en E [naam 23] RA namens het controleteam van [naam 19] . Appellant stond aan het hoofd van het controleteam en was verantwoordelijk voor de controle. In een brief van 17 januari 2013, ondertekend door appellant en [naam 22] , zijn de aldaar gemaakte afspraken als volgt vastgelegd:
“(...) Op basis van de thans ontvangen stukken en de door ons uitgevoerde werkzaamheden hebben wij de indruk dat de financiële positie van de vennootschappen onder druk staat en er een reële mogelijkheid is dat niet aan de toekomstige verplichtingen kan worden voldaan. Wij hebben hierover met u en de heer [naam 21] vandaag een gesprek gehad. Tijdens dit gesprek zijn wij het volgende met u overeengekomen:
- u zult ons nadere informatie verstrekken, waaronder meerjaren, resultaat-, liquiditeits- en vermogensbegrotingen voor ieder afzonderlijk fonds en voor de groep van deelnemingen met [naam 4] B.V. aan het hoofd als geheel.
-u zult een plan opstellen op basis van de hierboven beschreven stukken waaruit blijkt in hoeverre de vennootschappen nu en in de toekomst kunnen voldoen aan hun verplichtingen. Wij zullen dit plan uiterlijk 28 januari a.s. ontvangen.
-u zult voor 31 januari a.s. een afspraak maken met de stichtingsbesturen van de gelieerde fondsen voor een gesprek waarin de besturen worden geïnformeerd over de situatie van deze fondsen. (...)”
Appellant heeft vervolgens zijn werkzaamheden in het kader van de controle van de jaarrekeningen 2011 van de hiervoor in 1.3 genoemde vennootschappen tot nader bericht opgeschort.
Op 28 januari 2013 heeft [naam 24] AA ( [naam 24] ), de voormalige accountant van de Weststaete-groep, per brief gereageerd op een door appellant gedaan informatieverzoek met betrekking tot Weststaete Hypofund. In deze brief vermeldt [naam 24] , voor zover relevant, dat ongunstige berichtgeving in de pers is verschenen over de aandeelhouder [naam 25] in verband met het faillissement van [naam 26] , waarbij [naam 25] eerder betrokken was. Verder meldt [naam 24] dat volgens hem onvoldoende fondsen zullen resteren om de hoofdsom van de obligaties op expiratiedatum ten volle te voldoen. Over de leiding van de vennootschappen verklaart [naam 24] dat [naam 20] directeur is en wellicht een stroman, omdat de zoon van [naam 25] , [naam 21] , zich intensief met het bestuur van de ondernemingen bezighoudt, zonder dat zijn bevoegdheid ergens is vastgelegd.
In januari 2013 is door [naam 4] een ‘Meerjarenplan [naam 4] B.V. en aan hem gerelateerde concerns’ (het herstelplan) opgesteld.
Onderdeel van het herstelplan was dat in € 500.000,- van de liquiditeitsbehoefte van de obligatiefondsen zou worden voorzien door stortingen vanuit [naam 5] . Deze zouden worden betaald uit de nog te ontvangen structureringsvergoedingen en ‘performance fees’ in verband met nieuw te emitteren obligatiefondsen, waarbij vanaf januari 2013 tot augustus 2015 een totaal kapitaal van € 29.000.000,- (verspreid over drie obligatiefondsen) aangetrokken diende te worden. Voorts is in het herstelplan aangegeven dat kostenreductie diende plaats te vinden. Aangegeven was dat € 300.000,- bezuinigd kon worden op advies- en marketingkosten.
Op 7 februari 2013 heeft het controleteam de casus voorgelegd aan het (toenmalige) hoofd van het [naam 27] van [naam 19] , [naam 28] RA ( [naam 28] ). Blijkens een door [naam 22] opgesteld memo is tijdens dit overleg onder meer besproken of sprake was van een piramidespel en of de opdracht onder de gegeven omstandigheden gecontinueerd kon worden. Volgens [naam 28] was het om diverse redenen nog te vroeg om de conclusie te trekken dat sprake was van een piramidespel en kon de klantrelatie worden voortgezet.
Appellant heeft in februari 2013 de controle van de jaarrekeningen 2011 van de hiervoor in 1.3 genoemde vennootschappen weer ter hand genomen.
Op 19 juli 2013 heeft appellant goedkeurende controleverklaringen afgegeven bij de jaarrekeningen 2011. Appellant heeft verklaard dat de jaarrekeningen zijns inziens een getrouw beeld geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van deze ondernemingen. In de jaarrekeningen wordt naar het aangeleverde herstelplan verwezen, waarbij het herstelplan is aangeduid als ‘financieel plan’.
In januari 2014 heeft de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een inval gedaan in het kantoor van de Weststaete-groep. Hierbij is de administratie in beslag genomen.
Bij beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 zijn de hiervoor onder a. t/m o. genoemde vennootschappen failliet verklaard.
De curatoren zijn als zodanig benoemd in de faillissementen van de vennootschappen.
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Ten grondslag aan de klacht liggen de volgende verwijten:
a. appellant heeft tijdens het gesprek met het management op 17 januari 2013 niet of te
weinig doorgevraagd;
b. appellant heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het doorlenen van gelden door [naam 9] aan [naam 6] en hij heeft hiernaar ten onrechte pas bij de eindbespreking met het management vragen gesteld;
c. appellant heeft naar aanleiding van het door het management opgestelde herstelplan van 28 januari 2013, waaruit het voornemen tot het opzetten van een piramidefonds bleek, geen actie ondernomen;
d. appellant heeft in het controledossier geen beoordeling opgenomen van de daadwerkelijk opgehaalde obligatiegelden van de fondsen in relatie tot de volgens de prospectussen beoogde opbrengsten, noch een analyse van het verschil en de gevolgen daarvan;
e. appellant heeft in het controledossier geen beoordeling opgenomen van de aard en de
omvang van de gedane investeringen in relatie tot de investeringen zoals aangekondigd in de prospectussen en in relatie tot de ontvangen obligatiegelden;
f. appellant heeft in het controledossier geen beoordeling opgenomen ten aanzien van het niet aantrekken van bancaire financiering door [naam 6] ;
g. appellant heeft ten onrechte geen nadere controlewerkzaamheden uitgevoerd naar de aard en omvang van de gemaakte fondskosten;
h. appellant heeft in het controledossier ten onrechte geen beoordeling van de feitelijke leiding van het concern opgenomen;
i. appellant heeft onvoldoende werkzaamheden verricht ten aanzien van de continuïteit van de onderneming;
j. appellant heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de transacties met gerelateerde partijen en de kasopnames en betalingen aan de gelieerde partijen [naam 29] BV ( [naam 29] ) en [naam 30] GmbH ( [naam 30] ) vanuit [naam 5] ;
k. appellant heeft ten onrechte geen FIU-melding gedaan op grond van artikel 15 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), dan wel een melding gedaan als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta).
In de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen b, c, d, e, f, g, h, i en j gegrond verklaard en de klachtonderdelen a en k ongegrond verklaard. Daarbij is aan appellant de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand.