Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-09-2022, ECLI:NL:CBB:2022:656, 19/1654

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-09-2022, ECLI:NL:CBB:2022:656, 19/1654

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27 september 2022
Datum publicatie
27 september 2022
ECLI
ECLI:NL:CBB:2022:656
Zaaknummer
19/1654
Relevante informatie
Wet dieren [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]

Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete opgelegd voor het laten vervoeren van twee drachtige koeien waarvan de draagtijd al voor 90 procent of meer gevorderd was. Hoger beroep van de minister. Onvoldoende staat vast dat de dracht van de koeien ten tijde van het transport voor minimaal 90 procent was voltooid. De wetenschappelijke stukken waar de minister zich op baseert voor zijn standpunt dat de dracht wél voor minimaal 90 procent was voltooid, kunnen zonder nadere toelichting voor deze situatie niet worden gehanteerd. De goede procesorde en de rechtszekerheid staan eraan in de weg dat de minister in deze stand van de procedure nog in staat wordt gesteld andere wetenschappelijke onderzoeken in te brengen. Het hoger beroep van de minister slaagt niet.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 19/1654

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2022 op het hoger beroep van

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2019, kenmerk ROT 19/295, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. W.P.M. Remie),

en

de minister.

Procesverloop in hoger beroep

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 25 september 2019 met kenmerk ROT 19/295 (niet gepubliceerd), ook wel: aangevallen uitspraak.

[naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens de minister is verder verschenen [naam 2] .

Grondslag van het geschil

1.1

Op 2 september 2017 en op 29 november 2017 hebben toezichthoudend dierenartsen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij de post mortemkeuring (na de slacht) bij een slachthuis een baarmoeder met daarin een kalf onderzocht. De toezichthoudend dierenartsen hebben hiervan rapporten van bevindingen opgesteld, vergezeld van foto’s.

In het rapport van bevindingen van 2 september 2017 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“ Bij de beoordeling van het kalf behorende bij het karkas van rund [nummer 1] zag ik dat het kalf volledig behaard was. De afstand vanaf het achterhoofd tot de staartbasis bedroeg meer dan 84 cm. In de onderkaak van het kalf waren 8 snijtanden aanwezig (doorgebroken). Ik kon geen plukjes haar van het kalf makkelijk eruit trekken. Op basis van mijn deskundigheid weet ik dat het om een kalf gaat in de laatste 10% van de dracht en dat het nog niet was afgestorven in de baarmoeder in de 48 uren voorafgaand aan de slacht.”

In het rapport van bevindingen van 29 november 2017 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“ Bij de beoordeling van het kalf behorende bij het karkas van rund [nummer 2] zag ik dat het kalf volledig behaard was. De afstand vanaf het achterhoofd tot de staartbasis bedroeg meer dan 83 cm. In de onderkaak van het kalf waren 8 snijtanden aanwezig (doorgebroken). Ik kon geen plukjes haar van het kalf makkelijk eruit trekken. Op basis van mijn deskundigheid weet ik dat het om een kalf gaat in de laatste 10% van de dracht en dat het nog niet was afgestorven in de baarmoeder in de 48 uren voorafgaand aan de slacht.”

1.2

Bij besluit van 6 juli 2018 (het primaire besluit) heeft de minister aan [naam 1] een boete opgelegd van € 6.000,- vanwege overtreding van artikel 2.5 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, artikel 3, aanhef en onder b, artikel 8, eerste lid, en bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf l en paragraaf 2, onder c, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening). Volgens de minister heeft [naam 1] tweemaal een drachtig rund laten vervoeren dat niet geschikt was voor transport omdat de draagtijd al voor 90 procent of meer gevorderd was.

1.3

Bij besluit van 12 november 2018, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de bezwaren van [naam 1] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De minister vindt dat mag worden uitgegaan van de juistheid van de bevindingen van de toezichthoudend dierenartsen. [naam 1] heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de moederdieren wel geschikt waren voor het transport. Dat de door [naam 1] geraadpleegde dierenartsen geen tekenen van hoogdrachtigheid hebben geconstateerd bij de moederdieren doet volgens de minister niet af aan de constatering van de toezichthoudend dierenartsen dat de dieren wel hoogdrachtig waren.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard, het besluit van 12 november 2018 vernietigd en het primaire besluit herroepen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.4. Voor de oplegging van een bestuurlijke boete moet in voldoende mate vast staan dat de gestelde overtreding is begaan en het is aan verweerder om de onderbouwing hiervoor te leveren. Gelet op al hetgeen door eiser naar voren is gebracht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat in voldoende mate vast staat dat eiser de overtredingen heeft begaan. De door eiser ingebrachte stukken en verklaringen van dierenartsen bieden twijfel aan de conclusie dat eiser runderen met een dracht van tenminste 90 procent heeft laten vervoeren. Weliswaar heeft een van de toezichthoudend dierenartsen schriftelijk en ter zitting gereageerd op hetgeen namens eiser naar voren is gebracht, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de gerezen twijfel onvoldoende weggenomen. Ook is geen wetenschappelijke onderbouwing geleverd voor de visie van de toezichthoudend dierenartsen over de kenmerken van de kalfjes die tot de conclusie leiden dat sprake is van tenminste 90 procent dracht, terwijl dit wel gemotiveerd door dierenartsen namens eiser is betwist.

3.5.

Nu niet in voldoende mate vast staat dat eiser de overtredingen heeft begaan, moet

worden geconcludeerd dat de boetes ten onrechte zijn opgelegd. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing

Bijlage wettelijk kader