Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-03-2023, ECLI:NL:CBB:2023:132, 21/572

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-03-2023, ECLI:NL:CBB:2023:132, 21/572

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14 maart 2023
Datum publicatie
14 maart 2023
ECLI
ECLI:NL:CBB:2023:132
Formele relaties
Zaaknummer
21/572
Relevante informatie
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme [Tekst geldig vanaf 01-03-2025]

Inhoudsindicatie

De door DNB gegeven aanwijzing is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Bevestiging uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

uitspraak

Zaaknummer: 21/572

(gemachtigden: mr. F.M.A. ’t Hart en mr. D.A. Cervera Garcia),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2021, kenmerk ROT 19/5630, in het geding tussen

[naam 1]

en

(gemachtigden: mr. C. de Rond en mr. M. Koppenol).

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 9 april 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:3342).

DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

[naam 1] en DNB hebben aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 1 februari 2023. Voor [naam 1] hebben mr. F.M.A. ’t Hart, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] aan de zitting deelgenomen. Voor DNB hebben mr. C. de Rond, [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] aan de zitting deelgenomen.

Grondslag van het geschil

Samenvatting feiten

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] biedt betaaloplossingen aan en beschikt daarvoor over een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. Haar cliënten zijn overwegend bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf en [naam 1] fungeert als intermediair bij de afwikkeling van betalingen tussen consument en haar cliënten. Daarbij ligt het accent op automatisering om deze banktransacties vlot en efficiënt te laten verlopen. [naam 1] had in 2017 ruim 50.000 Nederlandse cliënten en haar klantenbestand groeide jaarlijks met ongeveer 4000 tot 6000.

1.3

In een auditrapport van 31 oktober 2017 concludeerde [naam 10] ( [naam 10] ) dat [naam 1] op dat moment niet voldeed aan haar wettelijke verplichtingen voor identificatie van haar cliënten (de Know Your Customer processen). Naar aanleiding van dat rapport heeft DNB onderzoek gedaan naar de naleving door [naam 1] van de Wet op het financieel toezicht (Wft), Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet 1977 (Sw). Bij brief van 6 juli 2018 heeft DNB bericht dat een aantal overtredingen is geconstateerd, onder meer dat [naam 1] niet over een systematische integriteitsrisicoanalyse (SIRA) en adequate procedures en maatregelen ter beheersing van de integriteitsrisico’s beschikte. [naam 1] verrichtte daarnaast geen (adequaat) cliëntenonderzoek, verrichtte onvoldoende transactiemonitoring en voortdurende controle en paste geen adequate sanctiescreening toe. Ook het beleid en de procedures op het gebied van transactiemonitoring, voor zover al opgesteld, waren ontoereikend. Als gevolg hiervan waren de cliëntendossiers incompleet en kon [naam 1] in de meeste gevallen niet nagaan wie de ultimate beneficiary owner (uiteindelijk belanghebbende) achter haar cliënten was.

1.4.1

Bij besluit van 13 maart 2019 heeft DNB aan [naam 1] een aanwijzing gegeven en enkele gedragslijnen opgelegd. Deze aanwijzing is gebaseerd op artikel 1:75, eerste lid, van de Wft, artikel 32 van de Wwft en artikel 10ba van de Sw.

1.4.2

Bij besluit van 26 september 2019 heeft DNB beslist op het bezwaar van [naam 1] . Bij besluit van 6 januari 2020 heeft DNB (het tijdschema van) de beslissing op bezwaar gewijzigd.

1.4.3

Bij de gewijzigde beslissing op bezwaar, waartegen het beroep bij de rechtbank (mede) was gericht, heeft DNB, voor zover nog van belang en samengevat, de volgende gedragslijnen opgelegd:

“Beleid, procedures en maatregelen

2) [naam 1] dient uiterlijk 1 juni 2019 (...) beleid, procedures en maatregelen op te stellen en te implementeren (...) teneinde de vereisten (...) met betrekking tot het uitvoeren van cliëntenonderzoek, transactiemonitoring en de vereisten (...) met betrekking tot het controleren van relaties tegen de sanctielijsten na te kunnen leven, en een integere bedrijfsvoering te waarborgen (...).

Transactiemonitoringsysteem

3) [naam 1] dient uiterlijk 1 juli 2019 te beschikken over een adequaat transactiemonitoringsysteem en -proces, waarmee effectief ongebruikelijke transacties worden gedetecteerd, onderzocht en afgehandeld (...).

(...)

Cliëntenonderzoek

5) [naam 1] dient uiterlijk 1 maart 2021 te bewerkstelligen dat - ten aanzien van alle

cliënten waarmee [naam 1] de relatie aangaat of continueert - de cliëntendossiers aantoonbaar voldoen aan de eisen die de Wwft aan cliëntenonderzoek stelt. Het voorgaande brengt met zich dat de cliëntendossiers waar nodig zijn gecompleteerd en adequaat is vastgelegd welke afweging is gemaakt om een cliënt te accepteren of te behouden dan wel om de cliëntrelatie te beëindigen. (...) d. Meer specifiek dient [naam 1] uiterlijk 1 maart 2021 te bewerkstelligen dat (...) de cliëntendossiers aantoonbaar voldoen aan de eisen die de Wwft aan cliëntenonderzoek stelt. (...)

Sanctiescreening

6) [naam 1] dient uiterlijk 1 maart 2021 al haar relaties (...) te hebben geïdentificeerd en gecontroleerd tegen de (...) geldende sanctielijsten.

(...)”

1.6

Partijen zijn het er over eens dat de overtredingen per 1 mei 2021 waren beëindigd, doordat [naam 1] toen de dossiers van de (blijvende) cliënten had gecompleteerd.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

Het hoger beroep richt zich niet tegen de vernietiging van de bestreden besluiten en de gedeeltelijke herroeping van het primaire besluit met bijkomende beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

2.2

Het hoger beroep richt wel tegen de uitspraak voor zover de rechtbank, kort gezegd, de aanwijzing in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“(...)4.1 [eiseres] heeft de (nog resterende) overtredingen niet betwist. (...)

4.2

Het feit dat DNB niet eerst informeel heeft gepoogd tot beëindiging van de overtredingen door [naam 1] te komen, noopt niet tot de conclusie dat aan [naam 1] daarom geen aanwijzing mocht worden opgelegd. DNB heeft zich op grond van haar handhavingsbeleid niet verplicht om eerst informeel op te treden voordat een aanwijzing wordt gegeven. Ook de omstandigheid dat DNB het toezicht op naleving van de Wwft en de Sw de laatste jaren mogelijk heeft geïntensiveerd, doet niet af aan haar bevoegdheid een aanwijzing op te leggen. Overigens heeft DNB er (...) terecht op gewezen dat deze intensivering niet van recente datum is nu, zoals blijkt uit de jaarverslagen van DNB en de gepubliceerde rechtspraak, er in de jaren voorafgaand aan de besluitvorming in deze zaak meer dan incidenteel sancties door DNB zijn opgelegd voor overtredingen die vergelijkbaar zijn met de overtredingen in deze zaak.

4.3

Ook de omstandigheid dat [eiseres] reeds voordat de aanwijzing is opgelegd herstelacties heeft opgestart, betekent niet dat DNB van het opleggen van een aanwijzing had behoren af te zien. Reeds vanaf (...) 31 oktober 2017 was duidelijk dat [eiseres] niet voldeed aan de wettelijke verplichtingen voor identificatie van haar klanten. (...) Ten tijde van (...) de aanwijzing (13 maart 2019) werden de door [eiseres] opgestarte projecten door DNB als langdurig en niet efficiënt ervaren en bleek uit het door [eiseres] overgelegde memorandum “Voortgang Know Your Customer” en Plan van Aanpak onvoldoende duidelijk wanneer alle overtredingen zouden worden beëindigd. (...) Daarnaast bestond bij [eiseres] onduidelijkheid over de hoeveelheid klantendossiers die opnieuw moest worden beoordeeld (gereboarded). In eerste instantie werd gesproken over 30.000 dossiers, later bleek het om ongeveer 51.000 dossiers te gaan. Het ging hierbij dus hoe dan ook om een groot aantal dossiers dat opnieuw moest worden beoordeeld. Dat [eiseres] echter ook geruime tijd na het auditrapport van [naam 10] nog altijd onvoldoende zicht had op het aantal dossiers dat gereboarded moest worden, heeft DNB reden voor twijfel mogen geven aan de effectiviteit en de voortvarendheid van de door [eiseres] gevolgde aanpak. DNB heeft verder mogen meewegen dat [eiseres] in haar plan van aanpak nog geen datum had bepaald waarop het reboarden zou zijn afgerond. (...)

4.4

DNB heeft de overtredingen verder (...) in redelijkheid als ernstig kunnen aanmerken nu het om verschillende, langdurige overtredingen gaat van de kernbepalingen (...) op het gebied van beheerste en integere bedrijfsvoering die bedoeld is ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme. Gelet daarop en op de grote rol die [eiseres] speelt in het betalingsverkeer, heeft DNB voldoende gemotiveerd dat sprake is van ernstige overtredingen. De omstandigheid dat de (...) klant (...) ook al door een bank zijn gescreend, ontslaat [eiseres] niet van haar eigen wettelijke verplichtingen en maakt niet dat de (...) overtredingen als minder ernstig moeten worden beoordeeld. Dat [eiseres] voor het hersteltraject deels afhankelijk is van externe partijen en medewerkers open en meewerkend zijn geweest tijdens het onderzoek, levert geen verminderde verwijtbaarheid op. Het is uitdrukkelijk verboden om zakelijke relaties aan te gaan en transacties uit te voeren voor klanten als geen of onvoldoende cliëntonderzoek is verricht. [eiseres] wist dat of behoorde dat te weten. Dat het huidige bestuur pas in het voorjaar van 2016 is aangetreden, doet aan het voorgaande niet af. (...)

4.5 (...)

DNB heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden dat de aanwijzing financiële gevolgen heeft en een toezichtantecedent voor de bestuurders oplevert, niet opwegen tegen het zwaarwegende belang bij handhaving van de genoemde artikelen gelet op de ernst en verwijtbaarheid van de geconstateerde overtredingen.

(...)”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing