Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-10-2023, ECLI:NL:CBB:2023:596, 21/793 en 21/794

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-10-2023, ECLI:NL:CBB:2023:596, 21/793 en 21/794

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17 oktober 2023
Datum publicatie
17 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:CBB:2023:596
Formele relaties
Zaaknummer
21/793 en 21/794
Relevante informatie
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme [Tekst geldig vanaf 01-03-2025]

Inhoudsindicatie

Boetes aan onderneming en feitelijk leidinggevende wegens overtreding van artikel 16 lid 1 Wwft. Er is sprake van een ongebruikelijke transactie die niet onverwijld is gemeld. De hoger beroepen over de boetes zijn ongegrond. Matiging van de hoogte van de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 21/793 en 21/794

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2023 op de hoger beroepen van:

[naam 2] , wonende te [plaats 2] ( [naam 2] )

(gemachtigden: mr. F.M.A. ’t Hart en mr. L. Stortelder),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2021, kenmerk ROT 19/6321 en ROT 19/6323, in het geding tussen

(gemachtigden: mr. R.J.F. ten Ham en mr. J.T.C. Leliveld).

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] en [naam 2] hebben afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 17 juni 2021(ECLI:NL:RBROT:2021:5463).

DNB heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend.

De zitting was op 5 september 2023. Aan die zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van [naam 1] en [naam 2] , [naam 2] zelf en de gemachtigden van DNB. Verder waren aanwezig voor [naam 1] [naam 3] en [naam 4] en voor DNB mr. L. Ploegstra en mr. D. de Jonge.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] is een trustkantoor met vergunning van DNB. [naam 2] is (mede)bestuurder van [naam 1] . [naam 1] en [naam 2] komen op tegen een bestuurlijke boete die DNB aan ieder van hen heeft opgelegd.

Boetebesluiten

1.3

Bij besluit van 5 april 2019 (boetebesluit 1) heeft DNB aan [naam 1] een bestuurlijke boete van € 50.445,- opgelegd wegens overtreding van artikel 16, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). [naam 1] heeft in de periode van 16 augustus 2016 tot 3 maart 2017 geen melding gedaan aan de Financiële inlichtingen eenheid (FIU) van een ongebruikelijke transactie van USD 10 miljoen door haar client [naam 5] B.V. ( [naam 5] ). Bij besluit van – eveneens – 5 april 2019 (boetebesluit 2) heeft DNB aan [naam 2] een bestuurlijke boete van € 25.000,- opgelegd wegens het feitelijk leiding geven aan de overtreding van artikel 16, eerste lid, van de Wwft door [naam 1] .

Besluiten op bezwaar

1.4

Bij besluiten van 1 november 2019 (de bestreden besluiten 1 en 2) heeft DNB de bezwaren van [naam 1] en [naam 2] tegen de boetebesluiten ongegrond verklaard.

1.5

DNB heeft aan de overtreding van artikel 16 Wwft het volgende ten grondslag gelegd. In 2008 is op advies van [naam 6] ( [naam 6] ), toen CEO van [naam bank] ( [naam bank] ), een vennootschapsstructuur opgezet ten behoeve van [naam 7] ( [naam 7] ), een Mexicaanse politicus. Voor die structuur heeft [naam 1] een Nederlandse doelvennootschap opgericht, te weten [naam 5] met als bestuurder [naam 1] en als ultimate beneficial owner (UBO) [naam 7] . [naam 5] heeft van [naam bank] een lening met een bedrag van USD 10 miljoen ontvangen (de lening), waarvoor [naam 7] zekerheden heeft verstrekt. [naam 5] heeft met dit bedrag 84,4% van de aandelen gekocht van de Mexicaanse vennootschap [naam 8] ( [naam 8] ), die met de aangetrokken gelden het vastgoedproject Destino in Mexico zou financieren. [naam 1] raakte er op 24 september 2012 (de datum van het gesprek tussen de accountmanager van [naam 5] bij [naam 1] , [naam 9] , en [naam 10] , vertegenwoordiger van [naam 7] werkzaam bij advocatenkantoor [naam 11] ) mee bekend dat Destino niet tot stand kwam en [naam 8] het bedrag van USD 10 miljoen had gebruikt voor het terugbetalen van “een lening" aan [naam bank] .

Daarnaast raakte [naam 1] op 16 maart 2015 ervan op de hoogte dat (1) de Amerikaanse autoriteiten [naam bank] typeerden als “primair een witwasonderneming” en [naam bank] onder toezicht was geplaatst en (2) [naam 6] was aangehouden op verdenking van witwassen.

In 2016 heeft [naam 1] een nieuw cliëntacceptatiebeleid vastgesteld, op basis waarvan de toenmalige accountmanager het cliënt-acceptatiedossier van [naam 5] (opnieuw) heeft beoordeeld. De (toenmalige) compliance officer van [naam 1] schreef op 1 augustus 2016 een e-mail met een alarmerende toonzetting waarin stond "I am rather alarmed by this client and - provided I do not receive information to the contrary - am considering to request to put this client on hold or worse" en het daarbij gevoegde document 'Compliance comments' van 1 augustus 2016 waarin stond: "( ... ) according to the object company's risk analysis the risks on money laundering and corruption in this structure are massive".

Beroep

1.6

[naam 1] en [naam 2] hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.7

Vanwege de inwerkingtreding van haar nieuwe Boetetoemetingsbeleid op 12 december 2020 heeft DNB bij besluit van 30 december 2020 (bestreden besluit 1A) de boete voor [naam 1] verlaagd tot € 29.790,-. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het door [naam 1] ingestelde beroep mede gericht tegen dit besluit.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen van [naam 1] en [naam 2] ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB buiten redelijke twijfel aangetoond dat [naam 1] de haar verweten overtreding heeft begaan en heeft DNB [naam 2] terecht aangemerkt als feitelijke leidinggever aan de overtreding van [naam 1] . De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de boetes disproportioneel zijn. De relevante overwegingen van de rechtbank zal het College hierna bij de bespreking van de hogerberoepsgronden weergeven.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing