College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-05-2025, ECLI:NL:CBB:2025:301, 23/1613
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-05-2025, ECLI:NL:CBB:2025:301, 23/1613
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 13 mei 2025
- Datum publicatie
- 13 mei 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:301
- Zaaknummer
- 23/1613
- Relevante informatie
- Wet dieren [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]
Inhoudsindicatie
Wet dieren. Hoger beroep. De minister heeft appellant een boete opgelegd van € 6.000,-, omdat appellant een varken vervoerde dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, nu het varken een prolaps vertoonde. Het College is, met de rechtbank, van oordeel dat de minister op grond van het rapport van bevindingen terecht heeft geconstateerd dat appellant de desbetreffende overtreding heeft begaan en dat de minister dus bevoegd was om de boete op te leggen. Op de zitting is met partijen besproken wat op de kleurenfoto’s, die bij het rapport van bevindingen zijn gevoegd, is waar te nemen. Het College is van oordeel dat die foto’s de bevindingen van de toezichthouder, zoals uiteengezet in het rapport van bevindingen, ondersteunen. Anders dan appellant heeft betoogd, vormen de foto’s dus geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van bevindingen. Daarnaast volgt het College appellant niet in zijn betoog dat de verhoging van de boete wegens recidive onredelijk of onevenwichtig is. Uit de tekst van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit) volgt namelijk niet de restrictie dat ook in het eerdere boetebedrag opgenomen verhogingen met nog eerder opgelegde boetes moeten voldoen aan, verkort weergegeven, de vijfjaarseis uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 23/1613
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2023, kenmerk ROT 22/665,
in het geding tussen
(gemachtigde: mr. F. Peters van Neijenhof)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2023 (aangevallen uitspraak) (niet gepubliceerd).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over het hoger beroep gegeven.
De zitting was op 18 februari 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van [naam 1] en de minister deelgenomen. Tevens zijn verschenen [naam 2] namens [naam 1] en [naam 3] namens de minister.
Grondslag van het geschil
Op 9 juli 2020 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in het kader van regulier toezicht op het slachthuis [naam 4] in [plaats 2] op het losbordes een inspectie bij de uitvoering van de antemortemkeuring uitgevoerd. De bevindingen van deze inspectie zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 19 juli 2020 (rapport van bevindingen).
In het rapport van bevindingen heeft de toezichthouder onder meer het volgende geschreven:
“Datum en tijdstip van de bevinding: 9 juli 2020, omstreeks 10:00 uur.
Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: de heer [naam 5] ; functie: chauffeur voor transportbedrijf [naam 1] (foto's 5 en 6). Tevens heb ik mij aan hem gelegitimeerd.
Tijdens mijn inspectie bij de uitvoering van de antemortemkeuring als dierenarts bevond ik mij op het losbordes van slachthuis [naam 4] Op donderdag 9 juli 2020, omstreeks 10:00 uur, zag ik dat er van de wagen met nummerplaat [nummer 1] varkens werden gelost. Er werden 198 varkens gelost, volgens het vervoersdocument varkens/zeugen afkomstig van het bedrijf met UBN [nummer 2] (foto 1). Tijdens het lossen zag ik dat een lichter, bleker varken (een gelt van
ongeveer 80 kg) (foto 6) een genecrotiseerde rectumprolaps vertoonde (foto's 2 en 3). Het varken vertoonde ook een vergrote buikomvang (foto 4). Bij nadere inspectie zag ik dat er van het normale roodgekleurde rectale slijmvlies niets meer te zien was, enkel nog zwarte necroseplekken en bleek verkleurde delen. Ten gevolge van de aanwezige prolaps was er hier geen normale mestpassage meer mogelijk en kon er enkel zeer vloeibare mest passeren. Dit verklaart ook de toename van de buikomvang. Het varken met de genecrotiseerde prolaps werd AM ingedeeld als categorie-3 varken. Het slachthuis bestemde het varken niet voor de slacht doch als dierlijk bijproduct categorie-2.
Het varken had slachtbliknummer [nummer 3] .
Dieren met een prolaps zijn niet transportwaardig, omdat dit tot extra lijden leidt.
De uitgestulpte rectale prolaps wordt gekwetst door schuren tegen wand, vloer en andere varkens, met pijn, kwetsuren en bloedingen als mogelijk gevolg. Tevens kan de prolaps door andere varkens aangevreten worden.
Zoals blijkt uit de aanwezige letsels (enkel nog necrotisch weefsel zichtbaar, geen normaal rectaal slijmvlies meer zichtbaar, toegenomen buikomvang) was de prolaps bij dit varken zeker voor de aanvang van het transport, welke volgens het vervoersdocument varkens/zeugen op 9 juli 2020 om 08:00 uur was aangevangen, aanwezig (foto 1). Necroseletsels met afgestorven weefsel ontstaan bij een prolaps pas na 24 uur, omdat dit het gevolg is van een afgesnoerde bloedvoorziening. Deze prolaps was minstens enkele dagen oud, omdat een deel van het necrotisch weefsel al verdwenen was.
[...]
De vervoerder vervoerde een varken dat niet mocht worden vervoerd, omdat het varken niet geschikt was voor het voorgenomen transport; het varken vertoonde een prolaps.
[...]
Ik bracht de heer [naam 5] , chauffeur, van mijn bevindingen op de hoogte en deelde hem mede dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding hiervan een bestuurlijke boete kan opleggen. Tevens zei ik hem, of de rechtspersoon die hij vertegenwoordigde, ingevolge het bepaalde in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht, dat hij niet tot antwoorden verplicht was.
Hierop verklaarde hij mij zoveel mogelijk weergegeven in zijn eigen woorden, het
volgende:
"Ik had deze prolaps bij het laden niet opgemerkt".
[...]”
Naar aanleiding van de bevindingen zoals beschreven in het rapport van bevindingen heeft de minister met het besluit van 4 december 2020 (het boetebesluit) [naam 1] een boete opgelegd van € 6.000,-. De minister heeft aan deze boeteoplegging ten grondslag gelegd dat [naam 1] een varken vervoerde dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het varken een prolaps vertoonde. Dit levert een overtreding op van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b en artikel 6, derde lid, in samenhang gelezen met Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, onder b, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening).
De minister heeft bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen boete niet de standaard bestuurlijke boete opgelegd overeenkomstig artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit), in samenhang met artikel 1.2 en de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren (Regeling). Het boetebedrag voor het beboetbare feit is namelijk op grond van artikel 2.5 van het Besluit verhoogd, omdat [naam 1] op 30 augustus 2019 (boetezaaknummer [nummer 4] ) eerder beboet is voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar zijn verlopen sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden. De boete is gelijk aan de som van de voor die overtreding op te leggen boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde boete.
Met het besluit van 29 december 2021 heeft de minister de bezwaren van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van het [naam 1] bij de rechtbank gericht.
De aangevallen uitspraak
2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de boete terecht heeft opgelegd. Omdat de redelijke termijn was overschreden, heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het beroep van [naam 1] gegrond verklaard en de boete gematigd met 10% tot een bedrag van € 5.400,-. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres [naam 1] en voor verweerder de minister moet worden gelezen:
“3.3. Eiseres heeft aangevoerd dat het varken geen prolaps had, omdat er geen uitpuilende
massa van 10-13 cm was waargenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres
verwezen naar het artikel van dierenarts Ilse Declerck van UGent waarin staat: “Bij rectumprolaps is de donkerrode, ronde of cilinder vormige uitpuilende massa meestal 10-13
cm lang omdat dit laatste stuk endeldarm niet goed gefixeerd is aan de bekkenholte met
bindweefsel, spieren of ligamenten.” Verweerder heeft de toezichthouder gevraagd te reageren op dit artikel. De reactie van de dierenarts is weergegeven in het primaire besluit.
Uit het gebruik van ‘meestal’ valt volgens de toezichthouder af te leiden dat een prolaps niet altijd 10-13 cm groot is. De foto bij het artikel toont volgens de toezichthouder een reeds beginnende necrose die na verloop van tijd nog zal afvallen of worden afgevreten zodat de uitgestulpte centimeters verminderen. Door de gestoorde bloedvoorziening door insnoering zal een gedeelte van de uitstulping afsterven. Dit staat ook in de schriftelijke verklaring van 11 mei 2023 van deze toezichthouder die verweerder in beroep heeft overgelegd.
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat de constateringen van de toezichthouder niet
overeenkomen met de beschrijving van prolaps van het rectum die in de praktische richtsnoeren
wordt gegeven (pagina 17): “Zowel zeugen als slachtvarkens kunnen door deze omkeerbare aandoening worden aangetast. Het dier dient te worden geïsoleerd om het risico op bloeding en secundaire infectie te voorkomen. Als de prolaps onomkeerbaar is, is het dier ongeschikt voor vervoer.” In reactie hierop heeft de toezichthouder toegelicht dat op de foto op pagina 17 van de praktische richtsnoeren een verse prolaps te zien is (zichtbare roze slijmhuid) van nog geen 10 cm groot. Bij die foto is vermeld dat het gaat om een varken met een onomkeerbare prolaps en volgens de praktische richtlijnen is een varken in dat geval ongeschikt voor vervoer. In de schriftelijke verklaring van 11 mei 2023 heeft de toezichthouder toegelicht dat het varken bij het laden een onomkeerbaar prolaps had, omdat de uitpuiling niet vanzelf naar de normale toestand is teruggekeerd waardoor necrose van het uitgestulpte deel is opgetreden. Volgens de toezichthouder was de prolaps minstens enkele dagen oud.
Voorts heeft eiseres een verklaring overgelegd van dierenarts [naam 6] van de
Varkenspraktijk waarin hij reageert op een foto die de toezichthouder bij de inspectie heeft
gemaakt: “Onder een rectum prolaps wordt verstaan het uitpuilen van de endeldarm buiten
het lichaam van het varken. Varkens die lijden aan deze aandoening mogen niet getransporteerd worden, omdat het risico op beschadigen en zodoende ontstaan van een pijnlijke situatie op transport dusdanig groot is, dat dit ten allen tijde vermeden moet worden.
Op de foto zie ik een varken met een ogenschijnlijk goede conditie met een gezwel tussen de
staartbasis en de vagina. De endeldarm is niet zichtbaar als cilindrische uitstulping buiten
het lichaam. Wat de oorzaak van dit gezwel is, is aan de hand van een foto niet vast te
stellen. Maar op basis van deze foto kan ik niet spreken van een endeldarmprolaps.”
Verweerder heeft de toezichthouder om een nadere toelichting gevraagd en de toezichthouder die ter zitting aanwezig was, maar niet het rapport van bevindingen heeft opgesteld, heeft op de foto in kleur aangewezen waar afstervend slijmvlies te zien is en aangeduid waar vloeibare mestresten zichtbaar zijn, wat erop duidt dat door de prolaps geen normale mestpassage meer mogelijk was.
Aan de stelling van eiseres ter zitting dat het dier is geslacht als categorie 2 en niet
als categorie 3 en dat zij is uitbetaald voor categorie 2 kan geen betekenis worden gehecht,
nu zij deze stelling niet heeft onderbouwd. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat het
dier niet voor de slacht is bestemd maar als een dierlijk bijproduct, wat ook een aanwijzing
is dat het dier niet geschikt is voor vervoer.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de toezichthouder genoegzaam toegelicht
dat sprake was van een prolaps waardoor het varken niet geschikt was om te worden vervoerd. Eiseres heeft met hetgeen zij naar voren heeft gebracht, geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder. Dit betekent dat verweerder op basis van het rapport van bevindingen terecht heeft vastgesteld dat eiseres artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8. van de Regeling houders van dieren, in verbinding met aanhef artikel 3 en artikel 3, onder b en artikel 6, derde lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, onder b, van de Transportverordening heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd eiseres daarvoor een boete op te leggen.
4. Wat de hoogte van de boete betreft heeft eiseres verwezen naar wat zij reeds in haar
zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht. Voor het onbeperkt blijven verhogen van boetes is geen wettelijke basis. Het standaard boetebedrag voor een overtreding als onderhavige bedraagt € 1.500,-. Het is disproportioneel om dit boetebedrag te viervoudigen tot € 6.000.-. De eerdere boete die aan de recidive ten grondslag ligt is destijds al twee keer verhoogd, aldus eiseres.
In artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige
zaken Wet dieren in samenhang gelezen met artikel 1.2 en de bijbehorende bijlage van de
Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de boete voor een overtreding als hier
aan de orde is, vastgesteld op € 1.500,-.
In artikel 2.5 van het Besluit handhaving is bepaald dat indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, de bestuurlijke boete gelijk is aan de som van de op grond van artikel 2.2 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete. Op grond van deze bepaling heeft verweerder de boete voor eiseres vastgesteld op € 6.000,-. Dit is het bedrag van € 1.500,- voor onderhavige overtreding vermeerderd met een boete van € 4.500,- die bij besluit van 30 augustus 2019 aan eiseres was opgelegd wegens een eerdere overtreding van hetzelfde voorschrift.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat toepassing van de disproportioneel is, overweegt de rechtbank dat de wetgever er nadrukkelijk voor heeft gekozen om herhaling
van een overtreding zwaarder te bestraffen door het boetebedrag te verhogen. Het doel van de boete is immers ook het afdoende voorkomen van herhaling in het specifieke geval. In dit geval is aan eiseres eerder een boete opgelegd voor overtreding van dezelfde norm. Die boete heeft er niet toe geleid dat herhaling is voorkomen. De verhoging in dit geval vindt de rechtbank ook niet onredelijk of onevenredig.
5. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
De redelijke termijn is aangevangen met het voornemen van 7 oktober 2020. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met ongeveer 9 maanden overschreden.
De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boete te matigen met 10% tot
een bedrag van € 5.400,-.”