College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10-06-2025, ECLI:NL:CBB:2025:326, 23/1642
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10-06-2025, ECLI:NL:CBB:2025:326, 23/1642
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 10 juni 2025
- Datum publicatie
- 10 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:326
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:6117
- Zaaknummer
- 23/1642
- Relevante informatie
- Wet toezicht trustkantoren 2018 [Tekst geldig vanaf 01-03-2025]
Inhoudsindicatie
Het College is van oordeel dat appellante meerdere wettelijke bepalingen van de Wtt 2018 heeft overtreden en dat DNB op grond van artikel 47 van de Wtt 2018 bevoegd was om aan appellante een aanwijzing te geven die strekt tot beëindiging van de overtredingen. De aanwijzing is in dit geval een geschikt noodzakelijk en evenwichtig middel, zodat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Vervolgens komt het College tot het oordeel dat DNB de onderdelen A, B en D van de gedragslijn heeft mogen opleggen en dat deze voldoende duidelijk omschreven en proportioneel zijn. Het College concludeert dat het hoger beroep niet slaagt, dat geen (extra) schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend en dat DNB geen proceskosten hoeft te vergoeden. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 23/1642
(gemachtigden: mr. G.P. Roth en mr. P. Smith)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2023, kenmerk 21/5313, in het geding tussen
en
(gemachtigden: mr. J.W.M. Hagelaars en mr. R.H.J. van Houts)
Procesverloop in hoger beroep
PI heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 20231 (aangevallen uitspraak).
DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 11 maart 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] namens PI, de gemachtigden van PI, de gemachtigden van DNB en mr. J. Roepnarain, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] namens DNB.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
PI is een trustkantoor als bedoeld in de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Naar aanleiding van enkele door PI gemelde incidenten, heeft DNB PI in 2019 geselecteerd om te bezoeken. Op 17, 18 en 19 februari 2020 heeft DNB ter plaatse een onderzoek uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre de bedrijfsvoering van PI in overeenstemming is met de vereisten die voortvloeien uit onder meer de Wtt 2018, het Besluit toezicht trustkantoren 2018 (Btt 2018) en de Regeling toezicht trustkantoren 2018. In het bijzonder was het onderzoek gericht op de inrichting van de integere en beheerste bedrijfsvoering van PI. Hiertoe heeft DNB bij PI onder andere de systematische integriteitsrisicoanalyse (SIRA) geanalyseerd en meerdere dienstverleningsdossiers (DVD’s) beoordeeld.
Met de brief van 14 april 2020 heeft DNB PI in de gelegenheid gesteld te reageren op de bevindingen van haar onderzoek. Met de brief van 12 juni 2020 heeft PI daarop gereageerd. Vervolgens heeft DNB de bevindingen van het onderzoek neergelegd in het definitieve onderzoeksrapport van 23 juli 2020.
Op 5 november 2020 heeft DNB PI geïnformeerd over het voornemen om haar een aanwijzing te geven tot het volgen van een bepaalde gedragslijn. PI heeft daarop gereageerd met een zienswijze op 7 december 2020.
Met het besluit van 11 februari 2021 (aanwijzingsbesluit) heeft DNB aan PI op grond van artikel 47 van de Wtt 2018 een aanwijzing gegeven tot het volgen van een bepaalde gedragslijn met de onderdelen A (SIRA), B (Cliëntenonderzoek), C (Schriftelijke verklaring van het bestuur) en D (Voortgangsrapportage). PI heeft bezwaar gemaakt tegen het aanwijzingsbesluit.
Met het besluit van 11 juni 2021 heeft DNB onderdeel B en C van de gedragslijn gewijzigd in die zin dat de daarin opgenomen data worden gewijzigd van 11 augustus 2021 in 11 februari 2022 (onderdeel B) en 11 september 2021 in 11 maart 2022 (onderdeel C).
Met het besluit van 2 september 2021 (bestreden besluit) heeft DNB de bezwaren van PI ongegrond verklaard. DNB heeft de gedragslijn gehandhaafd wat betreft de onderdelen B (met uitsluiting van het tussen streepjes staande gedeelte), C en D. Met de herziene SIRA van 11 augustus 2021 heeft PI de tekortkomingen in de SIRA hersteld, zodat PI vanaf dat moment voldoet aan onderdeel A van de gedragslijn en dit onderdeel is uitgewerkt. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft DNB afgewezen.
Met het besluit van 22 december 2022 (wijzigingsbesluit) heeft DNB de gronden van PI tegen onderdeel C alsnog gegrond verklaard en dit onderdeel van de gedragslijn laten vervallen. DNB heeft daarbij een vergoeding toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten.
Aangevallen uitspraak
2 De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank aan PI een schadevergoeding toegekend van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College zal, voor zover nodig, hieronder de relevante overwegingen van de rechtbank (gerangschikt naar onderwerp) weergeven.