Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-07-2025, ECLI:NL:CBB:2025:368, 24/583

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-07-2025, ECLI:NL:CBB:2025:368, 24/583

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15 juli 2025
Datum publicatie
15 juli 2025
ECLI
ECLI:NL:CBB:2025:368
Zaaknummer
24/583
Relevante informatie
Wet tuchtrechtspraak accountants [Tekst geldig vanaf 01-07-2023]

Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Klacht van de NBA, over een kantoortoetsing en over een klacht van een cliënt bij de klachtencommissie van de NBA. Meewerken aan het doen van onjuiste btw-aangiften, benaderen cliënten om geldleningen te verstrekken aan een andere cliënt, dreigen met fysiek geweld vanwege een achterstallige betaling, schenden verplichting melden van een ongebruikelijke transactie. De klacht over het niet melden van een ongebruikelijke transactie is alleen gebaseerd op een stelling van de betrokkene die hij later heeft genuanceerd. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een voorgenomen ongebruikelijke transactie die gemeld had moeten worden bij de FIU. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De tuchtuitspraak wordt deels vernietigd. Voor het overige blijft de uitspraak in stand, met inbegrip van de opgelegde maatregel van doorhaling van de inschrijving als accountant in de registers, waarbij de termijn waarbinnen de accountant zich niet opnieuw kan inschrijven is bepaald op 5 jaar.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 24/583

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 mei 2024 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), ingediend tegen [naam 1]

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 mei 2024, met nummer 23/2188 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2024:14).

De NBA heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 16 april 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , en namens de NBA mr. A. Sukkel en mr. R. den Boer.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende. De feiten onder 1.4 tot en met 1.7 hebben betrekking op de kantoortoetsing en de feiten onder 1.8 tot en met 1.10 hebben betrekking op een klacht van een cliënt van [naam 1] bij de klachtencommissie van de NBA.

1.2

[naam 1] is – met een onderbreking – vanaf 1994 ingeschreven in het register van de NBA als accountant-administratieconsulent (AA). Op 1 april 2015 heeft de NBA een klacht tegen [naam 1] ingediend. Kort gezegd hield de klacht in dat de accountantspraktijk van [naam 1] ten tijde van de hertoetsing van 12 februari 2014 niet beschikte over een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daarvoor gestelde normen. De accountantskamer heeft die klacht in haar uitspraak van 24 augustus 2015 gegrond verklaard (ECLI:NL:TACAKN:2015:99). Aan [naam 1] is de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in het register als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), waarbij de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven is bepaald op achttien maanden. Het College heeft het daartegen ingestelde hoger beroep in zijn uitspraak van 29 juli 2016 ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2016:225). De voorzitter van de accountantskamer heeft op 3 augustus 2016 de last tot tenuitvoerlegging van de maatregel gelast, waarna zijn inschrijving is doorgehaald. Per 2 mei 2018 is [naam 1] weer ingeschreven in het accountantsregister.

1.3

[naam 1] is eigenaar van [naam 2] in [woonplaats] . Naast hem is er één andere medewerker (assistent-accountant) op het kantoor werkzaam.

De kantoortoetsing

1.4

In opdracht van de Raad voor Toezicht van de NBA heeft in maart 2020 bij [naam 1] een reguliere kantoortoetsing plaatsgevonden. De toetsers hebben tekortkomingen vastgesteld in twee dossiers. Zij hebben de Raad voor Toezicht als eindoordeel in de zin van de Verordening op de Kwaliteitsbeoordelingen geadviseerd dat het kwaliteitssysteem van de accountantseenheid in opzet en werking niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen

(c-oordeel). De Raad voor Toezicht heeft in haar beslissing van 30 april 2020 daarentegen als zijn eindoordeel te kennen gegeven dat het stelsel verbetering behoeft (b-oordeel). Zij heeft [naam 1] daarom in de gelegenheid gesteld om een verbeterplan in te dienen.

1.5

[naam 1] heeft op 31 mei 2021 een verbeterplan opgesteld en dit ingediend. Op verzoek van de Raad voor Toezicht heeft [naam 1] het verbeterplan twee keer aangevuld, op 22 oktober 2021 en op 9 december 2021, waarna de Raad voor Toezicht het verbeterplan op 27 december 2021 heeft goedgekeurd. In de beslissing van 27 december 2021 is ook aangekondigd dat een hertoetsing zal plaatsvinden.

1.6

Deze hertoetsing heeft plaatsgevonden op 13 juli 2022 en 5 september 2022. Er zijn vijf dossiers getoetst waarvan drie dossiers onvoldoende zijn bevonden. De toetser heeft op 30 september 2022 een toetsingsverslag uitgebracht aan de Raad voor Toezicht.

1.7

Na nog een gesprek met [naam 1] te hebben gevoerd, heeft de Raad voor Toezicht bij beslissing van 2 december 2022 aan [naam 1] meegedeeld dat het stelsel van kwaliteitsbeheersing van zijn accountantspraktijk in opzet en werking niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep. Op 2 december 2022 heeft de Raad voor Toezicht aan [naam 1] ook het voornemen kenbaar gemaakt dat zij het bestuur van de NBA zal adviseren een tuchtklacht in te dienen bij de accountantskamer. [naam 1] heeft per brief van 27 maart 2023 onder meer gewezen op de verbeteringen die zijn doorgevoerd binnen zijn praktijk. De Raad voor Toezicht heeft daarin geen aanleiding gezien om af te zien van het advies tot het indienen van een tuchtklacht, zo heeft zij [naam 1] op 26 april 2023 meegedeeld.

De klacht van een cliënt van [naam 1] bij de klachtencommissie van de NBA

1.8

Sinds 1999 voert [naam 1] een opdracht uit voor [naam 3] (samenstellen jaarrekening, verzorgen van belastingaangiften en aanverwante dienstverlening).

1.9

Op 18 maart 2022 heeft [naam 3] een klacht tegen [naam 1] ingediend bij de klachtencommissie van de NBA. Die klacht bestaat uit zes klachtonderdelen. [naam 1] heeft daartegen verweer gevoerd (verweerschrift van 19 mei 2022). De klacht is mondeling behandeld op 23 november 2022.

1.10

De Klachtencommissie heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard in haar beslissing van 4 januari 2023.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat [naam 1] volgens de NBA heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De NBA verwijt [naam 1] het volgende:

In verband met de hertoetsing:

a. De NBA heeft in drie van de vijf getoetste dossiers tekortkomingen vastgesteld, waaruit blijkt dat het kwaliteitssysteem van de accountantspraktijk van [naam 1] vanaf 20 maart 2020 niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

In verband met de klacht van een cliënt bij de klachtencommissie van de NBA:

b. [naam 1] heeft meerdere jaren willens en wetens onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend en onjuiste btw-bedragen opgegeven bij de Belastingdienst.

c. [naam 1] heeft andere cliënten benaderd om geldleningen te verstrekken aan zijn cliënt toen die laatste failliet dreigde te gaan en het aantrekken van een bankfinanciering niet lukte.

d. [naam 1] heeft zijn cliënt met fysiek geweld bedreigd vanwege een achterstallige betaling.

e. [naam 1] heeft zijn Wwft-verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties en het daarmee verband houdende tipping-offverbod op een kwalijke wijze geschaad.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen c en d geheel en klachtonderdelen a, b en e deels gegrond verklaard. De accountantskamer heeft [naam 1] de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wtra, waarbij zij de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven heeft bepaald op vijf jaren.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing