College van Beroep voor het bedrijfsleven, 07-10-2025, ECLI:NL:CBB:2025:546, 24/293
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 07-10-2025, ECLI:NL:CBB:2025:546, 24/293
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2025
- Datum publicatie
- 7 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:546
- Zaaknummer
- 24/293
- Relevante informatie
- Wet tuchtrechtspraak accountants [Tekst geldig vanaf 01-07-2023]
Inhoudsindicatie
Accountantstucht. Appellant heeft een klacht tegen de accountant ingediend naar aanleiding van een door de accountant in opdracht van de curator uitgevoerd financieel onderzoek naar, verkort weergegeven, de financiële administratie van twee gefailleerde ondernemingen van appellant. Volgens appellant heeft de accountant, voor zover hier van belang, in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit en het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In hoger beroep ligt allereerst de vraag voor of appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat appellant de gronden van zijn hoger beroep één dag later, te weten de dag na Tweede Pinksterdag, had ingediend dan de termijn die het College hem had gegund na indiening van zijn pro forma hogerberoepschrift. Het College is onder toepassing van artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet van oordeel dat appellant zijn hogerberoepsgronden tijdig heeft ingediend en dat hij dus ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De door appellant aangevoerde hogerberoepsgronden slagen niet. Het hoger beroep is ongegrond.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 24/293
(gemachtigde: mr. E.C.A. Nass),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 februari 2024 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen:
(gemachtigde: mr. M.G. Kelder)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 februari 2024, met nummer 23/1457 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2024:3).
[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 5 juni 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: mr. E.C.A. Nass, [naam 1] , mr. M.G. Kelder en [naam 2] .
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
[naam 2] staat sinds 1989 ingeschreven in het accountantsregister van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA).
[naam 2] is eerder werkzaam geweest voor (de rechtsvoorganger van) [naam 3] (accountantskantoor I) en heeft sinds 2016 zijn eigen accountantskantoor genaamd [naam 4] (accountantskantoor II).
[naam 1] en [naam 2] zijn eind jaren zeventig en begin jaren tachtig een aantal jaren
collega's van elkaar geweest bij accountantskantoor I.
[naam 1] heeft in 1984 [naam 5] B.V. ( [naam 6] B.V.) opgericht. Hij is
bestuurder en enig aandeelhouder van [naam 6] B.V. [naam 6] B.V is het groepshoofd van een aantal werkmaatschappijen (groep). Tot de groep behoren [naam 7] B.V. (B.V. I), opgericht in 2000, en [naam 8] B.V. (B.V. II), opgericht in 2010.
[naam 6] B.V. was vanaf haar oprichting klant van accountantskantoor I. [naam 9] was als klantmanager het eerste aanspreekpunt en [naam 2] was als adviseur en partner
eindverantwoordelijk voor de dienstverlening. In 2000 heeft [naam 2] de opdracht gekregen
om accountantsdiensten te verrichten voor B.V. I en de groep. De groep is eind 2001/begin 2002 overgestapt naar een andere accountant, die werkzaam was bij een ander accountantskantoor.
Bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 mei 2020 zijn B.V. I en B.V. II failliet verklaard, waarbij mr. [naam 10] (curator) is benoemd tot curator.
De curator heeft als onderdeel van het rechtmatigheidsonderzoek aanleiding gezien om
onderzoek te laten doen naar de financiële administratie van B.V. I en B.V. II. De curator heeft [naam 2] benaderd voor deze opdracht.
[naam 2] heeft beoordeeld of er een bedreiging was voor het zich houden aan de fundamentele beginselen. Hij heeft op 9 maart 2021 overleg gehad met de afdeling vaktechniek van de NBA en besproken of er belemmeringen waren om de opdracht te aanvaarden. [naam 2] heeft dit gesprek vastgelegd in een notitie.
Op 16 maart 2021 heeft [naam 2] zijn opdrachtbevestiging naar de curator gestuurd. De curator heeft – met instemming van de rechter-commissaris – op 29 maart 2021 de opdrachtbevestiging ondertekend en aan [naam 2] geretourneerd.
In de opdrachtbevestiging staat onder meer het volgende:
“Ons rapport mag niet gebruikt worden voor enig ander doel en is uitsluitend voor de curator
en de rechter-commissaris bestemd. Dit rapport (of delen daaruit) mag(/mogen) zonder
onze uitdrukkelijke schriftelijke toestemming vooraf niet aan anderen dan de rechter-commissaris ter beschikking worden gesteld.”
[naam 2] heeft op 29 maart 2021 [naam 1] verzocht om overleg en om de beantwoording van een aantal vragen. Op 15 april 2021 heeft telefonisch overleg tussen hen plaatsgevonden. [naam 2] heeft [naam 1] daarna op 3 mei 2021 verzocht om onder meer administratieve informatie te verstrekken.
[naam 1] heeft op 18 mei 2021 de rechter-commissaris verzocht om de curator op te dragen het onderzoek in te trekken. Daarbij is hij ook ingegaan op de betrokkenheid die [naam 2] bij B.V. I heeft gehad. De rechter-commissaris heeft bij brief van 30 juni 2021 laten weten dit verzoek niet in te willigen.
[naam 1] heeft op 21 juli 2021 aan [naam 2] gevraagd of hij zich alsnog wilde terugtrekken. [naam 2] heeft op 27 juli 2021 geantwoord dat hij geen belemmering ziet voor het aanvaarden van de opdracht. [naam 1] en [naam 2] hebben daarna hun standpunten nogmaals uitgewisseld, maar dit heeft niet geleid tot beëindiging van de opdracht voor de curator door [naam 2] .
[naam 2] heeft in verband met het verzoek van [naam 1] om zich terug te trekken op 18 augustus 2021 opnieuw overleg gevoerd met de afdeling vaktechniek van de NBA. Dit gesprek heeft hij wederom vastgelegd in een notitie.
Op 30 augustus 2022 heeft [naam 2] het concept-rapport inzake B.V. II aan [naam 1] toegezonden, met het verzoek om binnen twee weken te reageren. [naam 1] heeft uiteindelijk op 18 oktober 2022 gereageerd, waarna [naam 2] op 15 december 2022 zijn definitieve rapport heeft uitgebracht. In het rapport staat dat het is uitgebracht in overeenstemming met Standaard 4400N “Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie”.
Op 3 februari 2023 heeft [naam 2] het concept-rapport inzake B.V. I aan [naam 1] toegezonden, met het verzoek om binnen twee weken te reageren. [naam 1] heeft op 9 maart 2023 gereageerd. Op 4 mei 2023 heeft [naam 2] zijn definitieve rapport uitgebracht. Ook in dit rapport staat dat het is uitgebracht in overeenstemming met Standaard 4400N.
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat [naam 2] in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. [naam 1] verwijt [naam 2] het volgende:
a. [naam 2] heeft bij het aanvaarden van de opdracht nagelaten de bedreiging van onvoldoende objectiviteit naar behoren te onderkennen en heeft daardoor de opdracht ten onrechte aanvaard dan wel na de bezwaren van [naam 1] niet teruggegeven;
b. [naam 2] heeft bij het aanvaarden van de opdracht nagelaten de nodige zorgvuldigheid te betrachten ten opzichte van [naam 1] als beoogd gebruiker dan wel als direct belanghebbende;
c. [naam 2] heeft bij de uitvoering van de opdracht het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden, doordat hij de voorschriften uit Standaard 4400N niet in acht heeft genomen.
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.