College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-10-2025, ECLI:NL:CBB:2025:573, 24/543 en 24/618
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-10-2025, ECLI:NL:CBB:2025:573, 24/543 en 24/618
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2025
- Datum publicatie
- 28 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:573
- Zaaknummer
- 24/543 en 24/618
Inhoudsindicatie
belanghebbende; rechthebbende; productierechten.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 24/543 en 24/618
(gemachtigde: mr. U.T. Hoekstra)
en
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)
Procesverloop
Op 24 januari 2023 heeft de minister het Overzicht geregistreerde pluimveerechten en het Overzicht geregistreerde varkensrechten toegezonden aan [naam 2] (registratiebesluiten).
Op 5 december 2023 heeft de gemeente een formulier ‘Vervallen van productierechten’ bij de minister ingediend (verzoek tot vervallenverklaring).
De gemeente heeft op 11 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de registratiebesluiten en de minister in het bezwaarschrift verzocht om eventueel de verplichting van [naam 3] om een bedrijfsoverdracht te melden te handhaven (handhavingsverzoek).
Met het besluit van 31 mei 2024 heeft de minister het bezwaar van de gemeente tegen de registratiebesluiten niet-ontvankelijk verklaard (bestreden besluit) en het handhavingsverzoek afgewezen.
De gemeente heeft op 19 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek tot vervallenverklaring. Verder heeft de gemeente bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar handhavingsverzoek.
Op 12 juli 2024 heeft de minister het verzoek tot vervallenverklaring afgewezen.
De gemeente heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft de gemeente beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit op haar bezwaarschrift van 19 juni 2024.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 4 september 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de gemeente heeft ook [naam 4] deelgenomen.
Overwegingen
Aanleiding voor deze procedures
[naam 3] en [naam 5] ( [naam 5] ) hebben aan de gemeente bij koopovereenkomst van maart 2023 percelen grond met een agrarische bestemming (grond) verkocht. Op 25 april 2023 is ter uitvoering van deze koopovereenkomst met een notariële akte van levering de grond aan de gemeente geleverd. De gemeente wil in het kader van de Ruimte voor ruimte regeling (regeling) op deze grond woningen bouwen. Als voorwaarde voor het verkrijgen van een bouwvergunning voor die woningen moet de gemeente, zo heeft zij toegelicht, in het kader van de regeling de pluimvee- en varkensrechten die op het bedrijf rusten (de productierechten) definitief laten vervallen en daarvan kennisgeving doen bij de minister.
De gemeente ging ervan uit dat de productierechten bij het door [naam 5] aan haar verkochte behoren. Op 5 december 2023 heeft de gemeente bij de minister op grond van artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet (Msw), een verzoek tot vervallenverklaring van de productierechten ingediend. Toen de gemeente het vermoeden kreeg dat [naam 5] de productierechten al had verkocht aan een ander bedrijf, heeft de gemeente (ook) bezwaar gemaakt tegen de besluiten waarmee de minister deze overgang van de productierechten naar dat andere bedrijf had geregistreerd. Verder heeft de gemeente een handhavingsverzoek ingediend en de minister gemaand besluiten op haar verzoeken te nemen.
Standpunten van partijen
2 De gemeente stelt, kort gezegd, dat zij belanghebbende is bij haar verzoeken, omdat zij eigenaar is van de productierechten. Zij beoogt in beide procedures om de productierechten te laten vervallen.
3 De minister stelt zich op het standpunt dat, kort gezegd, de gemeente niet aangemerkt kan worden als belanghebbende bij haar verzoeken.
Beoordeling door het College
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Een publiekrechtelijke rechtspersoon, zoals de gemeente, kan belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor is van belang of vermogensrechtelijke belangen van deze rechtspersoon bij het besluit zijn betrokken waardoor een eigen belang van deze rechtspersoon rechtstreeks door het bestreden besluit is geraakt.
Op de zitting is gebleken dat de minister de overdracht van de productierechten van [naam 2] naar een derde-landbouwer al op 18 januari 2023 heeft verwerkt en dat de registratie daarvan op 24 januari 2023 heeft plaatsgevonden. Het College heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze registratie. Dat betekent dat, gelet op de systematiek van de Msw, [naam 5] ten tijde van de koopovereenkomst en de akte van levering niet meer de rechthebbende was van de productierechten (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1344). Omdat de rechten niet meer geregistreerd stonden op naam van [naam 5] , kon de gemeente als gestelde rechtsopvolger geen vervallenverklaring vragen, gelet op artikel 31 van de Msw. Hieruit volgt dat, zoals ook de gemachtigden van de gemeente op de zitting hebben erkend, de gemeente hoe dan ook geen rechthebbende was van de productierechten ten tijde van belang en daarmee in beide procedures niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.
5 De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.P. Glerum en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
w.g. A. Venekamp w.g. A.C. van Helvoort