Centrale Raad van Beroep, 23-02-2012, BV6815, 10-2497 AW
Centrale Raad van Beroep, 23-02-2012, BV6815, 10-2497 AW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 23 februari 2012
- Datum publicatie
- 27 februari 2012
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BV6815
- Zaaknummer
- 10-2497 AW
Inhoudsindicatie
Disciplinaire straf van berisping. Appellant heeft met zijn uitlatingen de grenzen van het betamelijke overschreden. Door de uitlatingen te doen en van die uitlatingen geen afstand te nemen heeft appellant de normale omgangsvormen doorbroken en heeft hij zich aldus niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De onderlinge verhoudingen heeft appellant door zijn uitlatingen onnodig op scherp gesteld. Dat gedrag is in deze omstandigheden terecht aangemerkt als (strafwaardig) plichtsverzuim. De gegeven (lichtste) bestraffing, is gelet op dat plichtsverzuim niet onevenredig.
Uitspraak
10/2497 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 maart 2010, 09/1454 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar
Datum uitspraak: 23 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Jaab, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als medewerker receptie, informatiebalie en telefonie, laatstelijk op de afdeling klantencontactcentrum (KCC) van de gemeente Alkmaar. Op 7 augustus 2008 en op 10 september 2008 zijn met appellant gesprekken gevoerd over zijn functioneren, met name over uitlatingen, gedrag en houding op de werkvloer. Daarbij is ook aan de orde geweest dat appellant het niet meer naar zijn zin had bij KCC en dat hij graag ergens anders wilde werken. Afgesproken is dat appellant een plan van aanpak zou schrijven over zijn toekomst. Dat plan van aanpak heeft appellant op 29 september 2008 gemaakt en op 2 oktober 2008 ingeleverd. Bij dat plan was gevoegd een overzicht met bedenkingen tegen de verslagen van de hiervoor genoemde beide gesprekken.
1.2. In die bedenkingen heeft appellant onder meer opgeschreven dat zijn direct leidinggevende een arrogante houding heeft, geen zelfreflectie bezit, niet discreet is, geen goede leiding kan geven, medewerkers niet kan motiveren, geen visie heeft, geen tegenspraak duldt en dat medewerkers zich niet op hun gemak voelen bij haar. De opsomming eindigt met de opmerking “moeders wil is wet”. Verder schrijft appellant dat zowel zijn sectorhoofd als zijn afdelingshoofd KCC lijden aan geheugenverlies en dat de seniormedewerker met twee monden praat. Daarop heeft het college op 15 oktober 2008 appellant het voornemen hem een schriftelijke berisping op te leggen meegedeeld. Op
27 oktober 2008 heeft appellant naar aanleiding van dit voornemen zijn zienswijze naar voren gebracht ten overstaan van de gemeentesecretaris en een beleidsmedewerker P&O. Daar heeft appellant verklaard dat hij volledig staat achter hetgeen hij in zijn bedenkingen heeft opgeschreven, ook nadat hem was voorgehouden dat dit niet de manier is waarop men binnen de gemeente met elkaar omgaat.
1.3. Bij besluit van 27 november 2008 is aan appellant de disciplinaire straf van berisping opgelegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2009 (bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant is van opvatting dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij met zijn uitlatingen de grenzen van het betamelijke heeft overschreden en dat hij zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Integendeel, appellant heeft als een goed ambtenaar melding gemaakt van de onhoudbare situatie op het KCC, waarvan het college zijns inziens de ernst onvoldoende inzag. Voorts is evident sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat appellant een uitstekende staat van dienst heeft en zeer betrokken is bij de gemeente. Het college heeft nogmaals benadrukt het gedrag van appellant onacceptabel te achten, met name omdat hij zijn leidinggevenden er van heeft beschuldigd niet integer te zijn.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
4.1. De Raad volgt de rechtbank in haar constatering dat appellant met zijn uitlatingen de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Indien appellant de opstartproblemen bij het KCC onder woorden had willen brengen, dan had hij dat zakelijk moeten doen. De op de persoon gerichte aantijgingen aan het adres van drie collega’s/leidinggevenden, door het college niet ten onrechte als schofferend en diskwalificerend aangemerkt, had hij achterwege moeten laten of in elk geval in het zienswijzengesprek terug moeten nemen. Daarvoor bestond te meer aanleiding nu aan appellant al eerder duidelijk was gemaakt dat kritiek bestond op de wijze waarop hij zich uitliet over zijn leidinggevenden. Door de genoemde uitlatingen te doen en van die uitlatingen geen afstand te nemen heeft appellant de normale omgangsvormen doorbroken en heeft hij zich aldus niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De onderlinge verhoudingen heeft appellant door zijn uitlatingen onnodig op scherp gesteld. Dat gedrag is in deze omstandigheden terecht aangemerkt als (strafwaardig) plichtsverzuim. Het college was bevoegd daartegen corrigerend op te treden.
4.2. De gegeven (lichtste) bestraffing, acht de Raad gelet op dat plichtsverzuim niet onevenredig. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant gold als een gewaarschuwd man, nu hij eerder op zijn gedrag was aangesproken. Dat appellant terecht de problemen op het KCC heeft aangekaart, wordt door het college niet ontkend. Niet het aankaarten van problemen wordt appellant verweten, maar de wijze waarop hij dat deed en zijn volharding daarin. Dat appellant inmiddels inziet dat zijn uitlatingen ongelukkig zijn geweest kan hem niet meer baten.
5. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent ook dat het verzoek van appellant om veroordeling van het college tot vergoeding van schade wordt afgewezen.
6. Tot slot ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2012.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) M.C. Nijholt.
HD