Home

Centrale Raad van Beroep, 09-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1756, 24/866 PW

Centrale Raad van Beroep, 09-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1756, 24/866 PW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 december 2025
Datum publicatie
9 december 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1756
Zaaknummer
24/866 PW

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een eenmalige energietoeslag voor het jaar 2022 op grond van de Participatiewet (PW) en de Beleidsregels energietoeslag Rotterdam 2022 (Beleidsregels). Volgens de Beleidsregels zijn studenten (personen die studiefinanciering ontvangen) uitgesloten van het recht op de energietoeslag. De Raad is van oordeel dat de betreffende bepaling in de Beleidsregels in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Het college mocht deze bepaling daarom niet als grondslag voor de afwijzing van de aanvraag van appellant gebruiken. Het hoger beroep slaagt. Het college dient opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2024, 23/2610 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 9 december 2025

Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om een eenmalige energietoeslag voor het jaar 2022 op grond van de Participatiewet (PW) en de Beleidsregels energietoeslag Rotterdam 2022 (Beleidsregels). Volgens de Beleidsregels hebben personen die studiefinanciering ontvangen (studenten) geen recht op de energietoeslag. De Raad is van oordeel dat de betreffende bepaling in de Beleidsregels in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Het college mocht deze bepaling daarom niet als grondslag voor de afwijzing van de aanvraag van appellant gebruiken. Het hoger beroep slaagt. Het college dient opnieuw op het bezwaar te beslissen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.J.J.C. Koopmans hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met een e-mailbericht van 25 april 2024 heeft mr. Koopmans zich teruggetrokken als gemachtigde.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 oktober 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure enmr. A. Hielkema.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft op 17 augustus 2022 voor het jaar 2022 een eenmalige energietoeslag als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de PW aangevraagd. Appellant ontving toen studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

1.2.

Met een besluit van 27 oktober 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat personen die studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontvangen (hierna: studenten) op grond van de Beleidsregels geen recht hebben op de energietoeslag.

1.3.

Met een besluit op bezwaar van 9 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het college, in afwijking van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag. Het toekennen van de eenmalige energietoeslag op grond van artikel 35, vierde lid, van de PW betreft een discretionaire bevoegdheid. De invulling van die discretionaire bevoegdheid is vastgelegd in de Beleidsregels. Appellant is als student op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregels (ten tijde van het bestreden besluit: artikel 2, zesde lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregels) uitgesloten van het recht op de eenmalige energietoeslag. Het college heeft de categoriale verstrekking van de energietoeslag willen beperken tot die groepen die in de regel worden geacht gestegen energiekosten te hebben. Op deze wijze wordt overcompensatie voorkomen. Voor studenten geldt dat hun woonsituatie divers is en zij in de regel niet zelfstandig financiële verantwoordelijkheid dragen voor het voldoen van de gestegen energierekening. Op voorhand staat niet vast dat de groep studenten als categorie in overwegende mate wordt getroffen door een hoge energierekening. Daarom is voor de groep studenten de individuele bijzondere bijstand een effectief instrument om overcompensatie te voorkomen en wordt met dit instrument meer recht gedaan aan de diversiteit van woonsituaties van studenten.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de uitsluiting van personen die studiefinanciering ontvangen in strijd is met artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Appellant heeft net als andere minima te maken gehad met gestegen energielasten en hoort dus tot de doelgroep van de regeling. Het enkele feit dat de woonsituatie van studenten divers is, rechtvaardigt volgens appellant nog niet dat studenten in de Beleidsregels als groep worden uitgesloten van de energietoeslag.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

(getekend) E.J.M. Heijs

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels