Centrale Raad van Beroep, 07-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:11, 20/1846 WIA
Centrale Raad van Beroep, 07-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:11, 20/1846 WIA
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 7 januari 2026
- Datum publicatie
- 14 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:11
- Zaaknummer
- 20/1846 WIA
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding als gevolg van de misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie terecht. Het Uwv heeft ten onrechte geen loonsanctie aan werkgever opgelegd waardoor appellant schade heeft geleden doordat in het derde ziektejaar geen pensioenpremie is betaald. Vergoedingen voor andere schadeposten, zoals loonschade, immateriële schade en niet-genoten verlofdagen, worden afgewezen. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
20/1846 WIA
Datum uitspraak: 7 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2020, 19/609 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
Het gaat in deze zaak om een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever van appellant. Het Uwv heeft erkend dat een loonsanctie opgelegd had moeten worden. De rechtbank heeft appellant een schadevergoeding van € 1.360,- voor pensioenschade toegekend en het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen. Appellant vindt dat de door de rechtbank toegekende vergoeding voor pensioenschade op een te laag bedrag is vastgesteld en dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding voor de overige posten ten onrechte heeft afgewezen. De Raad volgt appellant ten aanzien van de pensioenschade en stelt de schadevergoeding hiervoor vast op € 6.589,36. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het verzoek om schade voor het overige wordt afgewezen. De Raad oordeelt verder dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,-.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2023. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Appellant heeft gereageerd op vragen van de Raad. Het Uwv heeft op verzoek van de Raad gereageerd op de reactie van appellant.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant werkte als sales director bij [naam werkgever B.V.] (werkgever) tegen een salaris boven het maximum dagloon voor de werknemersverzekeringen. Per 31 oktober 2016 heeft hij zich ziekgemeld. Gedurende de wachttijd van twee jaar voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de werkgever het loon van appellant doorbetaald, waarbij het loon in het tweede ziektejaar is beperkt tot 70%. Appellant heeft tijdens de wachttijd de beschikking gehouden over bijkomende voorzieningen van de werkgever, waaronder het gebruik van een leaseauto, laptop en smartphone.
Het Uwv heeft appellant in een besluit van 1 november 2018 met ingang van 30 oktober 2018 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, omdat hij met ingang van die datum 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. In het besluit is verder vermeld dat de werkgever niet voldoende heeft gedaan aan zijn re-integratie waardoor het loon langer zou moeten worden doorbetaald. Hierover had het Uwv de werkgever vóór het einde van de wachttijd moeten informeren. Omdat dit niet is gebeurd, kan het Uwv de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever niet meer verlengen.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2018 omdat hij van mening is dat het Uwv aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen in plaats van aan hem een WIA-uitkering toe te kennen. Verder heeft appellant gesteld dat het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld door geen loonsanctie op te leggen en heeft hij het Uwv aansprakelijk gesteld voor de als gevolg daarvan door hem geleden en te lijden schade, zowel materieel als immaterieel.
Bij besluit van 3 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard omdat niet meer tot verlenging van de loondoorbetalingsplicht kan worden overgegaan. In het besluit is vermeld dat het verzoek om schade in een aparte procedure in behandeling zal worden genomen.
Uitspraak van de rechtbank
Appellant heeft in beroep tegen het bestreden besluit verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat het Uwv aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen en dat het niet opleggen hiervan onrechtmatig is jegens appellant, die daardoor potentieel kan worden benadeeld. De rechtbank heeft voor het beoordelingskader voor het verzoek om schadevergoeding verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad die is gebaseerd op door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten.1 De rechtbank heeft beoordeeld wat de financiële situatie van appellant zou zijn als het Uwv aan de werkgever wél een loonsanctie had opgelegd. Die hypothetische situatie heeft de rechtbank vervolgens vergeleken met de daadwerkelijke financiële situatie van appellant om te bezien of er schade is geleden. Het is aan appellant om de relevante feiten en omstandigheden te onderbouwen en zo nodig te bewijzen die noodzakelijk zijn voor het maken van deze vergelijking. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant van € 1.360,- en wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2018. Ook is het Uwv opgedragen aan appellant het griffierecht en de gemaakte proceskosten te vergoeden.
De rechtbank heeft over de door appellant gestelde loonschade overwogen dat de werkgever in het derde ziektejaar op grond van het bepaalde in artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in beginsel niet gehouden was om meer dan 70% van het maximum dagloon te betalen. In de voor appellant geldende cao is voor het derde ziektejaar geen andere regeling opgenomen. Ook is niet gebleken dat de werkgever en appellant apart van de cao individuele afspraken hebben gemaakt over loondoorbetaling in het derde ziektejaar. Dat in de eerste loonperiode van het derde ziektejaar door de werkgever meer dan 70% van het maximum dagloon is doorbetaald, is onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat de werkgever die betaling ongewijzigd zou hebben voortgezet in de rest van het derde ziektejaar. Dat de werkgever zonder daartoe verplicht te zijn gedurende een jaar een te hoog salaris zou blijven betalen, is niet aannemelijk en door appellant verder niet onderbouwd. De loonschade is volgens de rechtbank daarom niet meer dan 70% van het maximum dagloon. Bij de berekening van de schadevergoeding moet over het bedrag aan gemist loon de over de betreffende periode ontvangen uitkering in mindering worden gebracht. Omdat de WIA-uitkering ook 70% van het maximum dagloon bedraagt, is de loonschade hiermee volledig gecompenseerd. De gestelde loonschade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank heeft het door het Uwv aan appellant te vergoeden bedrag voor pensioenschade op € 1.360.- vastgesteld. De rechtbank heeft hiertoe gewezen op rechtspraak van de Raad waarin is bepaald dat de door de werknemer misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie in beginsel als te verhalen schade is aan te merken.2 Het door appellant gebruikte rekenmodel en de daarbij behorende berekening waarmee hij inzichtelijk heeft willen maken dat zijn schade hoger is omdat hij een groter bedrag zal moeten inleggen om zelf tot een vergelijkbaar pensioenbedrag te komen, bevatten naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheden en aannames over toekomstige economische ontwikkelingen. Daarom wordt door de rechtbank de pensioenschade enkel gebaseerd op de misgelopen premie die door de werkgever in het derde ziektejaar zou zijn afgedragen over een salaris gebaseerd op 70% van het maximum dagloon. Dit is € 38.996,- in het derde ziektejaar. Na aftrek van de franchise van € 13.344,- wordt de pensioengrondslag € 25.652,-. Uit de door appellant ingebrachte stukken volgt dat de pensioenpremie die de werkgever over de grondslag afdroeg tot 1 oktober 2018 5,3% bedroeg. Dit leidt tot een pensioenschade van € 1.360,- (5,3% x € 25.652,-). Het Uwv moet over dat bedrag ook de wettelijke rente vergoeden vanaf 30 oktober 2018, de datum waarop de loonsanctie zou zijn ingegaan.
De rechtbank heeft over de schade door niet genoten verlofdagen in het derde ziektejaar overwogen dat de vraag of de werknemer aanspraak kan maken op een geldelijke vergoeding voor niet genoten ATV-dagen afhankelijk is van wat partijen daarover overeen zijn gekomen, dan wel wat daarover in een cao is bepaald. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op een arrest van de Hoge Raad.3 In de bepaling over de ATV-dagen uit het arbeidsvoorwaardenreglement, noch in de voor appellant geldende cao is bepaald dat niet genoten ATV-dagen kunnen worden vergoed. Dat de werkgever in het arbeidsvoorwaardenreglement geen onderscheid maakt tussen ATV-dagen en vakantiedagen geeft geen verplichting voor de werkgever tot uitbetaling van niet genoten ATV-dagen. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de niet genoten ATV-dagen niet als schade voor vergoeding in aanmerking komen. Het feit dat appellant in het derde ziektejaar 25 reguliere vakantiedagen zou opbouwen, betekent niet dat bij een opgelegde loonsanctie bij het einde van de arbeidsovereenkomst ook 25 vakantiedagen tot uitbetaling zouden zijn gekomen. Appellant zou in het derde ziektejaar in staat moeten worden geacht passende werkzaamheden in het kader van re-integratie te verrichten. Dit heeft tot gevolg dat hij in beginsel ook vakantiedagen had kunnen opnemen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat niet aannemelijk is dat appellant in het derde ziektejaar in een situatie zou hebben verkeerd waarin hij redelijkerwijs niet in staat zou zijn geweest om vakantiedagen op te nemen. Ook deze gestelde schade komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Over de schade door gemist privégebruik van de leaseauto met tankpas heeft de rechtbank overwogen dat hiervoor net als voor de loonschade geldt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever in het derde ziektejaar daadwerkelijk gehouden was om appellant de beschikking te laten houden over de leaseauto. Appellant heeft geen informatie uit zijn arbeidsovereenkomst of anderszins overgelegd waaruit blijkt welke afspraken er tussen hem en de werkgever op papier precies bestonden over het privégebruik van de leaseauto. Dat appellant op grond van zijn arbeidsovereenkomst of bijkomende afspraken het recht had om de leaseauto gedurende ziekte, en meer specifiek tijdens het derde ziektejaar, privé te mogen blijven gebruiken is zonder die informatie niet aannemelijk. Dat appellant de auto in het derde ziektejaar nog een periode heeft mogen gebruiken en dat door de leasemaatschappij op 23 november 2018 nog een nieuwe brandstofpas is verstrekt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De feitelijke terbeschikkingstelling gedurende een deel van dat jaar is niet voldoende om uit af te leiden dat die situatie zich gedurende het gehele derde ziektejaar zou hebben voortgezet als een loonsanctie was opgelegd. Daarmee staat ook niet vast dat appellant op dit punt schade heeft geleden ná het derde ziektejaar in verband met de dan latere beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Het oordeel van de rechtbank over de leaseauto geldt ook voor de door appellant geclaimde schade door gemist privégebruik van smartphone, laptop en internet.
De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat bij hem door het niet opleggen van een loonsanctie sprake is geweest van geestelijk letsel dat is aan te merken als aantasting van zijn persoon. Uit de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling volgt niet dat de psychische klachten van appellant daadwerkelijk zijn verslechterd doordat het Uwv geen loonsanctie heeft opgelegd. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in het standpunt dat de gestelde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Standpunten van partijen
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank een onjuist beoordelingskader heeft toegepast. Er is volgens hem een verschil tussen het beoordelen van de schade van een werkgever wegens een ten onrechte opgelegde loonsanctie of schade van een werknemer als ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd. Daarbij gaat het bij de verschillende schadeposten er niet om dat appellant iets aantoont, maar dat hij de vermoedelijke toestand aannemelijk maakt waarin hij met de loonsanctie had verkeerd. Hij stelt dat hij voldoende heeft aangetoond dat de werkgever in het derde ziektejaar 70% van zijn loon zou betalen in plaats van 70% van het maximum dagloon. Hij is het er niet mee eens dat de rechtbank hem geen schadevergoeding heeft toegekend voor de verschillende door hem gestelde posten en heeft zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden over deze posten herhaald. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de toegekende schadevergoeding voor de pensioenschade te laag is. Hij heeft onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 9 december 20154 en 20 januari 20165 aangevoerd dat uitgegaan moet worden van zijn ook in bezwaar en beroep ingebrachte berekening van de hoogte van de door hem te lijden pensioenschade van € 18.479,52. Hij heeft de berekening van dit bedrag gebaseerd op een pensioengrondslag in het jaar 2019 van € 71.939,92, een gegarandeerde pensioenopbouw per jaar van 1,875% van de pensioengrondslag en een levensverwachting van 13,7 jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De door de rechtbank gehanteerde pensioengrondslag van € 25.652,- is volgens appellant onjuist.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, maar heeft daarbij gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over het bestreden besluit. Ter zitting heeft het Uwv onder meer naar voren gebracht dat appellant de door de rechtbank toegekende schadevergoeding kan gebruiken voor een pensioenvoorziening.
De Raad heeft het onderzoek heropend om appellant een berekening voor te leggen uitgaande van de door de rechtbank gehanteerde pensioengrondslag en de door appellant gehanteerde berekeningswijze van zijn pensioenschade. Deze berekening leidt tot een bedrag van € 6.589,36 (1,875% van € 25.652,- x 13,7 jaar). Daarbij is vermeld dat door het Uwv ter zitting naar voren is gebracht dat wanneer de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 1.360,- wordt ingelegd in een pensioenfonds of een spaarfonds een resultaat bereikt kan worden dat (ongeveer) gelijk is aan het bedrag van € 6.589,36.
Appellant heeft in een reactie van 26 februari 2024 naar voren gebracht dat, als wordt uitgegaan van de berekeningswijze op basis van de nieuwe pensioenregeling van zijn werkgever en de door de rechtbank berekende pensioengrondslag van € 25.652,-, dit inderdaad leidt tot een bedrag van € 6.589,36. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat dit bedrag feitelijk echter niet kan worden bereikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verschillende berekeningen bijgevoegd waaruit volgens hem volgt dat hij met een inleg van € 1.360,- geen € 6.589,36 kan bereiken. Hij handhaaft zijn standpunt dat het Uwv het (netto equivalent van het) bedrag van € 18.479,52 aan pensioenschade moet vergoeden.
Het Uwv heeft in reactie hierop in een brief van 1 juli 2024 naar voren gebracht dat het primaire standpunt is dat in gevallen waarin ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd, in beginsel alleen wat door de werkgever in het derde ziektejaar aan pensioenpremies zou zijn afgedragen als te verhalen schade is aan te merken. Dat wat een werknemer ooit in totaal aan ouderdomspensioen zal ontvangen staat te ver verwijderd van het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie en is daarbij afhankelijk van factoren die allerlei onzekerheden bevatten, zoals de indexatie van ouderdomspensioenen, en waar het Uwv buiten staat. Subsidiair is het Uwv van mening dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 1.360,- onvoldoende is om de gegarandeerde pensioenuitkering te kunnen bereiken en dat appellant bij zijn berekeningen onjuiste uitgangspunten hanteert.
Het Uwv heeft verder naar voren gebracht dat namens het Uwv ter zitting geen bedrag is genoemd waartoe de inleg van € 1.360,- kan uitgroeien. Omdat bij een gegarandeerd, vast pensioen, zoals het pensioen van appellant, de hoogte van de pensioenuitkering per jaar of per maand wél exact is te bepalen, is door de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting aangegeven dat een hogere schadevergoeding redelijk zou zijn, indien appellant zou kunnen aantonen dat de door de rechtbank toegekende schadevergoeding onvoldoende is om een bedrag gelijk aan het misgelopen gegarandeerde pensioen op te bouwen. Omdat de pensioenregels na 1 juli 2023 zijn veranderd waardoor veel gegarandeerde pensioenen omgezet worden in een beleggingspensioen, is de hoogte van de pensioenuitkering van appellant echter toch onzeker. Daarom kan niet worden gesteld dat appellant met een inleg van de door de rechtbank toegekende schadevergoeding een bedrag van € 6.589,36 moet bereiken.