Centrale Raad van Beroep, 13-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:59, 21/4485 WIA-T
Centrale Raad van Beroep, 13-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:59, 21/4485 WIA-T
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Datum publicatie
- 26 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:59
- Zaaknummer
- 21/4485 WIA-T
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van een IVA-uitkering. Geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de IVA-uitkering niet eerder kan ingaan dan per 27 november 2018 en dat de WGA-uitkering tot die datum doorloopt. Appellante stelt zich op het standpunt dat het recht op de WGA-uitkering van rechtswege eindigt op het moment dat ex-werknemer volledig en duurzaam en dus niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet. De Raad oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt en dat in deze zaak de 52-weken termijn buiten toepassing moet blijven. Het Uwv krijgt opdracht te onderzoeken per wanneer ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was zodat de ingangsdatum van de IVA-uitkering en de einddatum van de WGA-uitkering kunnen worden vastgesteld.
Uitspraak
21/4485 WIA-T
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2021, 20/2041 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[naam ex-werknemer] (ex-werknemer)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van een IVA-uitkering aan ex-werknemer van appellante. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de IVA-uitkering niet eerder kan ingaan dan per 27 november 2018 en dat de WGA-uitkering tot die datum doorloopt. Appellante stelt zich op het standpunt dat het recht op de WGA-uitkering van rechtswege eindigt op het moment dat ex-werknemer volledig en duurzaam en dus niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Dat betekent volgens haar in dit geval dat de WGA-uitkering te lang is verstrekt, waarmee het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet.
Verder heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellante heeft ter onderbouwing van dit beroep gewezen op verschillende besluiten van het Uwv in vergelijkbare zaken, waarin het Uwv met terugwerkende kracht van meer dan 52 weken een IVA-uitkering heeft toegekend. De Raad oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt en dat in deze zaak de 52-weken termijn buiten toepassing moet blijven. Het Uwv krijgt opdracht om te onderzoeken per wanneer ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A. van der Steen, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende gronden en stukken ingediend.
Ex-werknemer heeft als derde-belanghebbende deelgenomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere reacties ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2023. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak 22/2396 WIA. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Steen en mr. J.P.M. van Zijl, beiden advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen en mr. J.W. van Schaik. Ex-werknemer is niet verschenen.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv nadere vragen gesteld. Het Uwv heeft hierop gereageerd waarna van appellante een reactie is ontvangen.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De Raad heeft de zaak op 25 maart 2025 opnieuw behandeld ter zitting, gelijktijdig met de zaak 22/2396 WIA. Voor appellante zijn verschenen mr. Van der Steen en mr. Van Zijl. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Coenen en mr. Van Schaik. Ex-werknemer is wederom niet verschenen. In de zaak 22/2396 WIA is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Ex-werknemer is op 30 november 2015 uitgevallen voor zijn werk als salesmanager bij appellante. Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het Uwv hem vanaf 27 november 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 29 augustus 2019 heeft het Uwv de uitkering vanaf 27 november 2019 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellante heeft tegen dat besluit op 5 december 2019 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit 1) gegrond verklaard en aan ex-werknemer met ingang van 27 november 2019 een IVA-uitkering toegekend.
Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Tijdens die procedure heeft het Uwv bij besluit van 23 september 2020 (bestreden besluit 2) de ingangsdatum van de IVA-uitkering gewijzigd in 27 november 2018. Appellante heeft haar beroep gehandhaafd omdat zij vindt dat de IVA-uitkering per een eerdere datum toegekend had moeten worden.
Uitspraak van de rechtbank
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de IVA-uitkering van exwerknemer niet eerder heeft toegekend dan per 27 november 2018.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tegen het toekenningsbesluit van 24 oktober 2017 geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat in rechte vaststaat dat op 27 november 2017 bij exwerknemer nog geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft vervolgens getoetst aan artikel 64 van de Wet WIA. De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een aanvraag of een verzoek tot herbeoordeling als bedoeld in het elfde lid van artikel 64 van de Wet WIA. Daarom wordt het indienen van het bezwaarschrift van 5 december 2019 gezien als een verzoek om herbeoordeling en kan 5 december 2018 in beginsel de eerst mogelijke ingangsdatum voor de IVA-uitkering zijn. Volgens de rechtbank is het Uwv appellante al enigszins tegemoetgekomen door uit te gaan van een ingangsdatum die 52 weken ligt voor de omslagdatum van 27 november 2019 in plaats van terug te rekenen vanaf 5 december 2019. De rechtbank heeft geen bijzondere omstandigheden gezien voor toekenning van een IVA-uitkering per een eerdere datum dan 27 november 2018. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat appellante eerder om een herbeoordeling had kunnen vragen en dat niet heeft gedaan.
De rechtbank heeft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel, waarbij appellante heeft gewezen op gevallen waarin het Uwv met een terugwerkende kracht van meer dan 52 weken een IVA-uitkering heeft toegekend, afgewezen. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat het gaat om gelijke gevallen dan wel zijn onvoldoende gegevens verstrekt om te kunnen concluderen dat het gelijke gevallen betreft.
Standpunt van appellante
Appellante heeft in hoger beroep de gronden tegen het bestreden besluit 2 gehandhaafd. Appellante stelt zich op het standpunt dat ex-werknemer al vóór 27 november 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat daarom het recht op een WGA-uitkering vanaf die dag eindigt. Volgens appellante eindigt de WGA-uitkering op grond van artikel 56, eerste lid, onder a van de Wet WIA op het moment dat geen sprake meer is van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 5 van de Wet WIA, ongeacht de ingangsdatum van de IVA-uitkering. Verstrekking van een WGA-uitkering na de dag waarop de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, is volgens appellante onrechtmatig. Appellante, die geen eigenrisicodrager is voor de WGA-uitkering, heeft als gevolg van de ten onrechte te lang betaalde WGA-uitkering ten onrechte gedifferentieerde WGA-premie betaald. Het Uwv dient daarom in deze procedure een eerdere beëindigingsdatum van de WGA-uitkering vast te stellen. Appellante wijst daarnaast op de uitspraak van de Raad van 14 december 2016.1 Appellante heeft er in dit verband ook op gewezen dat het Uwv de schade aan een werkgever vergoedt voor het te lang doorlopen van een WGA-uitkering, indien het recht op een WGAuitkering eindigt als de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, maar de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering op grond van artikel 56, tweede lid van de Wet WIA nog niet is verstreken.
Primair stelt appellante dat ex-werknemer per einde wachttijd op 27 november 2017 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Appellante verwijst daarvoor naar de medische stukken in het dossier, waaronder rapporten van de door appellante ingeschakelde medisch adviseur J.W.M.N. Derks. Subsidiair stelt appellante dat de IVA-uitkering per 28 september 2018 had moeten ingaan. Dat is de datum waarop volgens de verzekeringsarts in zijn rapport van 28 september 2017 een herbeoordeling had moeten plaatsvinden. Als die herbeoordeling toen had plaatsgevonden, dan zou daaruit volgens appellante blijken dat ex-werknemer per 28 september 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.
Appellante heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel gehandhaafd. Zij heeft gewezen op 25 naar haar mening vergelijkbare gevallen. Van die gevallen heeft zij de besluiten en in een aantal gevallen de daaraan ten grondslag liggende medische rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv ingebracht. Daaruit blijkt volgens appellante dat het Uwv in soortgelijke gevallen als het geval van appellante de ingangsdatum van een IVA-uitkering met een verder terugwerkende kracht dan 52 weken heeft bepaald ondanks de door het Uwv gestelde beperkende werking van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Appellante stelt hiermee aannemelijk te hebben gemaakt dat het Uwv gelijke gevallen ongelijk behandelt. Het Uwv heeft volgens haar het tegendeel niet onderbouwd, en ook niet dat sprake is van bijzondere gevallen dan wel incidentele gevallen, waarin is afgeweken van de bepaling van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Verder heeft appellante nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2015, waarin ook met verder terugwerkende kracht dan 52 weken een IVA-uitkering is toegekend. Een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel betekent volgens appellante dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering van ex-werknemer moet ingaan op één van de 3.1 genoemde momenten.
Standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv stelt dat uit artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA voortvloeit dat het recht op een IVAuitkering, behoudens bijzondere gevallen, niet eerder kan ingaan dan uiterlijk 52 weken vóór een aanvraag van de verzekerde dan wel een verzoek om een herbeoordeling door de werkgever. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens het Uwv niet omdat de door appellante genoemde gevallen geen gelijke gevallen zijn. Mogelijk is in die gevallen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Als dat niet het geval is, dan gaat het om incidentele gevallen waarin een onjuist besluit is genomen. Het Uwv is niet gehouden om onjuiste beslissingen in andere zaken te herhalen.