Gerechtshof Amsterdam, 13-09-2001, AD7049, 00/3613
Gerechtshof Amsterdam, 13-09-2001, AD7049, 00/3613
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 september 2001
- Datum publicatie
- 13 december 2001
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7049
- Zaaknummer
- 00/3613
Inhoudsindicatie
Het argument dat de aanslag aan een ander dan aan belanghebbende, in casu de indiener van het bezwaarschrift, had moeten worden opgelegd, maakt de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Eerste Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak van het Hoofd afdeling heffing en invordering van de gemeente te P, hierna verweerder, gedagtekend 11 oktober 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de precariobelasting met aanslagnummer 000.
Het beroep is behandeld ter zitting van 30 augustus 2001.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Aan belanghebbende is een aanslag in de precariobelasting opgelegd, gedagtekend 29 april 2000, voor het gebruik van gemeentelijke grond ten bedrage van ¦ 10.562,40.
2. A B.V. (vanaf 24 mei 2000 B. B.V.) (hierna: de indiener), waarvan alle aandelen worden gehouden door belanghebbende en op hetzelfde adres is gevestigd als belanghebbende, heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is bij verweerder is binnengekomen op 23 juni 2000. Verweerder concludeert in zijn uitspraak gedagtekend 11 oktober 2000 tot niet-ontvankelijkheid in verband met het niet in acht nemen van de wettelijke termijn voor het indienen van het bezwaarschrift.
3. De indiener, waarvan het Hof uitgaat dat zij belanghebbende in bezwaar en beroep vertegenwoordigt, stelt dat zij niet eerder bezwaar heeft gemaakt omdat de aanslag die ten name van belanghebbende is opgelegd en ook door belanghebbende is voldaan, ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd. Volgens de indiener had de aanslag, zo er al een grond zou zijn voor het opleggen daarvan, moeten zijn opgelegd ten name van haar en is deze, nu dit niet is gebeurd, te laat onder haar aandacht gekomen.
4. Het Hof is van oordeel dat verweerder belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met een overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift. Belanghebbende had, gelet op het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken ofwel uiterlijk 12 juni 2000 bezwaar tegen de aanslag moeten indienen. Het bezwaarschrift is pas op 23 juni 2000 ingediend.
5. Het argument dat de aanslag aan een ander dan aan belanghebbende, in casu aan de indiener, had moeten worden opgelegd, maakt de overschrijding van de bezwaartermijn naar het oordeel van het Hof niet verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende is mitsdien terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.
6. Voor zover belanghebbendes grief inhoudt dat de aanslag niet rechtsgeldig zou zijn opgelegd, oordeelt het Hof dat de rechtmatigheid niet ter discussie kan staan, met inachtneming van het feit dat de aanslag onherroepelijk vaststaat.
7. Gezien het hiervoor overwogene is het gelijk aan de inspecteur.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 13 september 2001 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor zowel de belanghebbende als de verweerder ƒ 150.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondeling uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.